Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2776

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
23 mei 2026
Zaaknummer
11900805 \ CV EXPL 25-2913
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BWArt. 41 NR 1999Art. 25 NR 1995
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige effectenleaseovereenkomst met Dexia wegens vergunningplichtige advisering tussenpersoon

In deze civiele zaak vordert [partij A] vergoeding van schade geleden door een effectenleaseovereenkomst met Dexia, waarbij via de tussenpersoon Finans werd geadviseerd zonder de vereiste vergunning. Dexia wordt verweten onrechtmatig te hebben gehandeld door deze overeenkomst te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat Finans niet bevoegd was om persoonlijk advies te geven.

De rechtbank sluit aan bij bestaande jurisprudentie en oordeelt dat Dexia haar zorgplicht, met name de waarschuwingsplicht, heeft geschonden. Er is sprake van een onrechtmatige daad en voldoende causaal verband tussen het handelen van Dexia en de schade van [partij A]. De vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, evenals de verklaring dat de restschuld niet verschuldigd is.

Dexia's verweer omtrent verjaring en het ontbreken van vergunningplichtige advisering wordt verworpen. De rechtbank wijst ook verzoeken van Dexia tot inzage in documenten af vanwege het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen [partij A] en zijn gemachtigde. Dexia wordt veroordeeld in de proceskosten en tot het verwijderen van eventuele BKR-registraties.

Uitkomst: Dexia wordt veroordeeld tot volledige schadevergoeding aan [partij A] wegens onrechtmatig handelen en het ongedaan maken van BKR-registraties.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 11900805 \ CV EXPL 25-2913
Vonnis van 12 mei 2026
in de zaak van
[partij A],
wonende te [woonplaats],
eisende partij in conventie in de hoofdzaak en verzoekende partij in het exhibitie-incident,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het exhibitie-incident van Dexia,
hierna te noemen: [partij A],
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,
tegen
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak en verwerende partij in het exhibitie-incident,
tevens eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en verzoekende partij in het exhibitie-incident,
hierna te noemen: Dexia,
gemachtigde: USG Legal Amsterdam.

1.Kern van de zaak

1.1
[partij A] heeft via Finans een effectenleaseovereenkomst gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Op grond van die overeenkomst leende [partij A] geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [partij A] betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst werden de aandelen verkocht en moest [partij A] het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [partij A] verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [partij A] geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [partij A] geleden schade helemaal moet vergoeden.

2.De procedure

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het incidenteel vonnis van 10 februari 2026, waarin is beslist op het vrijwaringsincident van Dexia,
- de conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie,
- de conclusie van dupliek in reconventie.
2.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1
[partij A] heeft de volgende leaseovereenkomst ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorganger van) Dexia:
Contract
nummer
Datum
Naam overeenkomst
1
[contractnummer]
29-08-2000
AEX Plus Effect 20 jaar
3.2
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
1
24-04-2007
676,40
nee
3.3
Volgens het financieel overzicht van Dexia heeft [partij A] op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 4.152,27 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Volgens hetzelfde overzicht heeft [partij A] geen dividenden ontvangen en heeft hij € 122,14 aan fiscaal voordeel genoten.
3.4
De gemachtigde van [partij A], Leaseproces, heeft bij brief van 3 april 2006 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.
4 De vorderingen en het verweer in de hoofdzaak en de verzoeken in de incidenten, in conventie en in reconventie
4.1
[partij A] vordert dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
in het incident
- Dexia zal veroordelen de aanvraagformulieren en haar versie van de onderhavige overeenkomst aan [partij A] te verstrekken.
In de hoofdzaak
  • voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld [partij A] en/of toerekenbaar is tekortgeschoten;
  • voor recht zal verklaren dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is om deze schade te vergoeden;
  • Dexia zal veroordelen om binnen twee weken na het vonnis te bewerkstelligen dat de registratie van [partij A] bij het Bureau Kredietregistratie in Tiel wordt doorgehaald en dat de aan die registratie gekoppelde achterstandscodering ongedaan wordt gemaakt, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat Dexia daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 20.000,-;
  • Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [partij A] van al datgene dat [partij A] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover;
  • voor recht zal verklaren dat [partij A] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is;
  • Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [partij A], met rente;
  • Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.
4.2
Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een incidentele vordering en een tegenvordering, waarbij Dexia vordert dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
in het incident:
- [partij A] zal veroordelen om Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier althans andere schriftelijke documenten waaraan de door Leaseproces namens [partij A] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen zijn ontleend.
in de hoofdzaak:
  • [partij A] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 219,62 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2007,
  • voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de overeenkomst met nummer [contractnummer] niets meer aan [partij A] is verschuldigd;
  • [partij A] zowel in conventie als in reconventie zal veroordelen in de proceskosten.
4.3
Op de stellingen en verweren van partijen zal, voor zover nodig, hierna nader worden ingegaan.
5 De beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en de verzoeken in de incidenten
Algemeen
5.1
Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [partij A].
5.2
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking van de jurisprudentie rechtvaardigen.
5.3
Toepassing van de jurisprudentie leidt in dit geval tot de volgende conclusies:
  • er is sprake van huurkoop;
  • er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden, evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
  • Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
  • [partij A] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;
  • er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade van [partij A] en de onrechtmatige daad van Dexia.
Verjaring
5.4
Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [partij A] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. [2] Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.
Tussenpersoon
5.5
[partij A] heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon Finans Verzekeringen (hierna: ‘Finans’). Tussen partijen is niet in geschil dat Finans niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022, [3] heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR Pro 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR Pro 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven.
5.6
Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen.
5.7
De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.8
De stelplicht en bewijslast dat Finans [partij A] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat Finans [partij A], anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [partij A] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [partij A] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.
5.9
Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is, weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [partij A] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.1
[partij A] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende.
5.10.1
[partij A] stelt dat zijn neef destijds werkzaam was als adviseur bij Finans. Volgens [partij A] heeft deze medewerker van Finans hem opgebeld met de vraag of hij geïnteresseerd was om geadviseerd te worden over zijn financiële situatie en de mogelijkheden van vermogensopbouw. Daarbij vertelde de medewerker van Finans dat hij een mooi spaarproduct had en hij stelde voor om een afspraak te maken voor een huisbezoek. [partij A] stelt dat hij daarmee heeft ingestemd en dat er vervolgens een huisbezoek is ingepland in het ouderlijk huis van [partij A]. Bij het gesprek dat plaatsvond, waren ook de broers, zussen en de collega’s van [partij A] aanwezig, aldus [partij A].
5.10.2
[partij A] stelt verder dat de medewerker van Finans tijdens het gesprek heeft geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [partij A]. [partij A] was destijds student Detaihandel & Ondernemerschap Management en hij had een bijbaan in de horeca en genoot een studiebeurs. Hij stelt dat hij met de adviseur heeft gesproken over zijn wens om te kunnen sparen op een rendabele manier. Volgens [partij A] gaf de medewerker van Finans aan dat hij een geschikt product kon adviseren om de doelstelling van [partij A] te kunnen verwezenlijken.
5.10.3
Volgens [partij A] adviseerde de medewerker van Finans hem als volgt: Hij adviseerde om een AEX Plus Effect overeenkomst van Bank Labouchere af te sluiten met maandbetalingen van ongeveer fl 150,-. De medewerker stelde het maandbedrag vast en adviseerde [partij A] om zijn inkomen (studiebeurs en salaris) aan te wenden om de maandbetalingen te voldoen. De medewerker vertelde dat [partij A] op deze wijze aanzienlijk vermogen zou opbouwen, waardoor [partij A] goed en veel vermogen zou kunnen sparen.
5.10.4
Volgens [partij A] ondersteunde de medewerker het advies aan de hand van een map met informatieve stukken waarmee productinformatie werd gegeven over de AEX Plus Effect overeenkomst en waarin positieve rendementen werden vermeld die behaald konden worden met het product. Over negatieve koersen werd volgens [partij A] niet gerept. [partij A] stelt dat hij de informatieve stukken niet meer kan achterhalen, zodat hij deze stukken niet in deze procedure kan overleggen.
5.10.5
Volgens [partij A] gaf de medewerker aan dat met de AEX Plus Effect overeenkomst onder andere zou worden belegd in grote Nederlandse bedrijven, waaronder banken – zoals ABN AMRO Bank – die niet kapot konden gaan. Daarom zou dit product een goede investering zijn om de doelstelling van [partij A] te bereiken.
5.10.6
[partij A] stelt dat de medewerker van Finans hem niet heeft geïnformeerd over de specifieke risico’s. [partij A] licht toe dat hij er niet op is gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen de inleg geheel verloren kon gaan en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. [partij A] stelt dat hij de AEX Plus Effectovereenkomst nooit had afgesloten als hij op deze risico’s was gewezen.
5.10.7
[partij A] stelt daarbij dat hij zelf geen ervaring had met beleggen en dat hij ook geen kennis had van complexe financiële producten. Daarom vertrouwde hij -volgens zijn zeggen – volledig op de deskundigheid van de medewerker van Finans en op het gegeven advies. Volgens [partij A] is dat de reden dat hij het advies heeft opgevolgd. Coform het advies heeft [partij A] een AEX Plus Effect overeenkomst afgesloten met maandbetalingen van fl. 150,- per maand. De aanvraag voor de AEX Plus Effectovereenkomst is, volgens [partij A], door de medewerker van Finans in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is tijdens een opvolgend huisbezoek in het ouderlijk huis van [partij A], in het bijzijn van de medewerker van Finans, ondertekend.
5.10.8
[partij A] stelt dat het opvolgen van het advies voor hem desastreus heeft uitgepakt. In plaats van het voorgespiegelde vermogen dat zou worden opgebouwd is hij de betaalde inleg geheel kwijtgeraakt, aldus [partij A]. Daarnaast heeft hij een restschuld aan de overeenkomst overgehouden.
5.11
[partij A] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, voor zover van belang, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
  • een kopie van de overeenkomst op naam van ‘[partij A]’ met contractnummer [contractnummer], voorzien van het adviseursnummer [ATP-nummer] Finans Verzekeringen;
  • een kopie van een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van de eenmanszaak Finans Verzekeringen Enschede met als beschrijving van de werkzaamheden ‘Bemiddeling in verzekeringen, financieringen en hypotheken. Financiele dienstverlening’;
Aanhoudingsverzoek
5.12
Dexia heeft grote bezwaren tegen de door haar zo genoemde ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
5.13
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.
(Nieuwe) argumenten Dexia
5.14
Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
  • dat (de gemachtigde van de [partij A]) Leaseproces ten onrechte op zijn woord wordt geloofd;
  • dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
  • dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust; en
  • dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
5.15
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [partij A] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de medewerker van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. [4] Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in zijn geval heeft [partij A], tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [partij A] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomst dan wel tot stand was gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [partij A] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [partij A] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [partij A] en de medewerker van Finans, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [partij A] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
Wetenschap Dexia
5.16
In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van Finans aan [partij A]. Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering, is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [partij A] voor rekening van Dexia.
Aansprakelijkheid Dexia
5.17
Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [partij A] de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens [partij A] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [partij A] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. [5] Er kunnen situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW Pro voor rekening van [partij A] te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
Vorderingen van [partij A]
5.18
De door [partij A] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [partij A] heeft gehandeld door [partij A] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat Finans [partij A] niet alleen als klant aanbracht maar [partij A] tevens persoonlijk had geadviseerd en Finans geen vergunning daarvoor bezat. De verklaring voor recht dat de restschuld niet verschuldigd is zal ook worden toegewezen. De verklaring voor recht dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatige handelen van Dexia en Dexia gehouden is de schade te vergoeden, zal ook worden toegewezen.
Schade
5.19
De als gevolg hiervan door [partij A] geleden schade is door partijen besproken in de processtukken. [partij A] heeft de schade berekend op € 4.030,13 en Dexia heeft deze berekening niet betwist. Dit bedrag is toewijsbaar. De wettelijke rente is verschuldigd over het door te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in Hoge Raad 1 mei 2015 en Hoge Raad 3 februari 2017. [6] Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019. [7]
BKR-registratie
5.2
Dexia zal – voor het geval Dexia met betrekking tot [partij A] een A-codering aan het Bureau Kredietregistratie heeft doorgegeven – worden veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te berichten dat [partij A] geen verplichtingen uit de overeenkomst meer heeft. De daaraan te verbinden dwangsom wordt bepaald op € 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot een maximum van € 10.000,00.
Incidentele vordering van [partij A]
5.21
[partij A] vordert Dexia op te dragen om een afschrift te verstrekken van het aanvraagformulier van de onderhavige effectenlease overeenkomst. De vordering zal worden afgewezen. Uit het voorgaande volgt namelijk dat [partij A] in het gelijk zal worden gesteld. Hij heeft dan ook geen belang meer bij de stukken in deze procedure. De proceskosten in dit incident zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Incidentele vordering van Dexia
5.22
Dexia vordert dat [partij A] wordt veroordeeld een afschrift van het intakeformulier althans van andere schriftelijke documenten waaraan de door Leaseproces namens [partij A] in deze procedure feitelijke stellingen zijn ontleend, aan Dexia te verstrekken.
5.23
Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [partij A] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.
5.24
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [partij A] worden tot op heden begroot op € 82,00.
Vorderingen van Dexia
5.25
Gelet op de beoordeling in conventie, zullen de door Dexia gevorderde betaling van restschuld en verklaring voor recht worden afgewezen.
Proceskosten in conventie en in reconventie
5.26
Omdat [partij A] grotendeels inhoudelijk gelijk zal krijgen, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [partij A] gevallen.
Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 732,00
- salaris gemachtigde € 576,00 (2 punten x tarief € 288,00)
- nakosten
€ 100,00
Totaal € 1.552,47
5.27
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld.

6.De beslissing

De kantonrechter,
in het incident van [partij A]
6.1
wijst de vordering van [partij A] af;
6.2
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in het incident van Dexia
6.3
wijst de vordering af;
6.4
veroordeelt Dexia in de proceskosten van [partij A], tot op heden begroot op
€ 82,00;
in conventie
6.5
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [partij A] heeft gehandeld door [partij A] als cliënt te accepteren, terwijl zij behoorde te weten dat Finans [partij A] niet alleen als klant aanbracht, maar [partij A] ook persoonlijk had geadviseerd en Finans geen vergunning daarvoor bezat;
6.6
verklaart voor recht dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is om deze schade te vergoeden;
6.7
verklaart voor recht dat [partij A] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is;
6.8
veroordeelt Dexia om aan [partij A] te betalen een schadevergoeding van € 4.030,13, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in rechtsoverweging 5.19;
6.9
veroordeelt Dexia – voor het geval Dexia met betrekking tot [partij A] een A-codering aan het BKR heeft doorgegeven – om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te berichten dat [partij A] geen verplichtingen uit de overeenkomst meer heeft, op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00;
6.1
veroordeelt Dexia in de proceskosten van [partij A] van € 1.552,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen;
6.11
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.12
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.13
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
6.14
wijst de vorderingen af;
6.15
veroordeelt Dexia in de proceskosten van [partij A], tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.L. Alers, kantonrechter-plaatsvervanger, en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026. (ap)

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.Zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 mei 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462 en gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:20 en de arresten van Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025 waaronder ECLI:NL:GHARL:2025:684.
3.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.
4.Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:845 en gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
5.Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.
6.ECLI:NL: HR:2015:1198 en ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3.