ECLI:NL:RBOVE:2026:3640

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
27 juni 2026
Zaaknummer
11988415 \ CV EXPL 25-3795
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BWArt. 41 NR 1999Art. 25 NR 1995
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatig handelen Dexia bij effectenleaseovereenkomst en schadevergoeding aan afnemer

In deze zaak staat de effectenleaseovereenkomst centraal waarbij [partij A] via een tussenpersoon effectenleaseovereenkomsten met Dexia is aangegaan. Dexia leende geld aan [partij A] waarmee aandelen werden gekocht, maar door waardedaling leed [partij A] verlies. De kernvraag was of Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de geleden schade.

De kantonrechter sluit aan bij bestaande jurisprudentie en oordeelt dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door de overeenkomsten te sluiten terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon geen vergunning had voor het geven van beleggingsadvies. Dexia heeft haar zorgplicht, waaronder de waarschuwingsplicht, geschonden. Er is voldoende causaal verband tussen het onrechtmatig handelen en de schade van [partij A].

Dexia's verweer dat de vordering verjaard is, wordt verworpen. Ook het verzoek tot aanhouding wegens cassatieberoepen wordt afgewezen. De kantonrechter wijst de vorderingen van [partij A] toe en veroordeelt Dexia tot betaling van een schadevergoeding van € 23.597,37 plus wettelijke rente, alsmede proceskosten. Het incidentele verzoek van Dexia tot inzage in vertrouwelijke documenten wordt afgewezen.

De uitspraak bevestigt de aansprakelijkheid van financiële instellingen voor zorgplichtschendingen bij complexe financiële producten en benadrukt het belang van vergunningplichtige advisering. Dexia wordt veroordeeld tot volledige vergoeding van de door [partij A] geleden schade.

Uitkomst: Dexia wordt veroordeeld tot volledige schadevergoeding van € 23.597,37 plus wettelijke rente en proceskosten wegens onrechtmatig handelen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11988415 \ CV EXPL 25-3795
Vonnis van 16 juni 2026
in de zaak van

1.[partij A1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,
2.
[partij A2],
wonende te [woonplaats 2] ,
3.
[partij A3],
wonende te [woonplaats 3] ,
eisende partijen in conventie,
gedaagde partijen in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
hierna samen te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces),
tegen
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
hierna te noemen: Dexia,
hierna te noemen: Dexia,
gemachtigde: USG Legal Professionals.

1.Kern van de zaak

1.1
[partij A] heeft via dhr. [naam] (hierna te noemen: [naam] ) van Spaar Select een of meer effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Op grond van die overeenkomst(en) leende [partij A] geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [partij A] betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst(en) werden de aandelen verkocht en moest [partij A] het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [partij A] verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [partij A] geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [partij A] geleden schade helemaal moet vergoeden.
2 De procedure
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 19 november 2025;
  • de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie met een voorwaardelijk incidenteel verzoek;
  • de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie en in het incident;
  • de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties;
  • de akte uitlating producties van Dexia,
  • de akte van [partij A]
2.2
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

3.De feiten

3.1
[partij A] heeft de volgende leaseovereenkomsten ondertekend waarop zij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorganger van) Dexia:
Contractnummer
Datum
Naam overeenkomst
1
[contractnummer 1]
21-06-2001
Overwaarde Effect – 180 maanden
2
[contractnummer 2]
21-06-2001
Overwaarde Effect – 180 maanden
3
[contractnummer 3]
21-06-2001
Overwaarde Effect – 180 maanden
3.2
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
1
23-06-2006
-€ 2.239,29
Ja
2
23-06-2006
-€ 2.239,29
Ja
3
23-06-2006
-€ 2.523,64
Ja
3.3
Volgens het financieel overzicht van Dexia heeft [partij A] op grond van de overeenkomsten – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van
€ 27.306,00 aan maandtermijnen en een bedrag van € 7.002,22 wegens restschuld aan Dexia betaald. Volgens hetzelfde overzicht heeft [partij A] € 4.630,20 aan dividenden ontvangen en € 1.412,50 aan fiscaal voordeel genoten. Op 4 februari 2012 heeft Dexia een bedrag van € 5.994,76 aan [partij A] uitgekeerd, volgens Dexia twee derde van de restschuld inclusief verschenen rente.
3.4
De gemachtigde van [partij A] , Leaseproces, heeft bij brief van 22 februari 2008 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomsten ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.
4 De vorderingen en het verweer in de hoofdzaak en het verzoek in het incident, in conventie en in reconventie
4.1
[partij A] vordert dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • Voor recht te verklaren dat Dexia onrechtmatig jegens [partij A2] , zijnde de rechtsvoorganger van [partij A] heeft gehandeld en/of toerekenbaar jegens [partij A2] , zijnde de rechtsvoorganger van [partij A] tekort is geschoten op de in deze dagvaarding genoemde gronden;
  • Voor recht te verklaren dat [partij A2] en iedere erfgenaam van [partij A2] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en dat Dexia gehouden is om deze schade ten behoeve van de gemeenschap te vergoeden aan [partij A] als wettelijk erfgenaam en rechtsopvolger van [partij A2] te vergoeden;
  • Dexia te veroordelen om de schade die [partij A] door het onrechtmatig handelen van Dexia heeft geleden te vergoeden en tegen behoorlijk bewijs van kwijting ten behoeve van de gemeenschap aan [partij A] als wettelijk erfgenaam en rechtsopvolger van [partij A2] te voldoen al hetgeen [partij A2] aan Dexia heeft betaald onder de litigieuze overeenkomsten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, telkens vanaf de dag der door [partij A2] gedane betalingen althans vanaf de door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum tot aan die der voldoening, te voldoen binnen drie weken na betekening van het vonnis in de onderhavige procedure;
  • Dexia te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [partij A] conform rapport Voorwerk II, althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, te voldoen binnen drie weken na betekening van het vonnis in de onderhavige procedure;
  • Dexia te veroordelen in de kosten van het geding, salaris gemachtigde daaronder begrepen, alsmede in de nakosten, welke nakosten worden begroot op een half punt van het liquidatietarief met een maximum van € 100, vermeerderd met de wettelijke rente over de proces- en na-kosten als deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis zijn voldaan.
4.2
Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in voorwaardelijke incidentele vordering en een tegenvordering, waarbij Dexia vordert dan wel verzoek (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
in het incident:
- [partij A] zal veroordelen om Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier althans andere schriftelijke documenten waaraan de door Leaseproces namens [partij A] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen zijn ontleend.
in de hoofdzaak:
  • voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten met nummer [contractnummer 1] , [contractnummer 2] en [contractnummer 3] niets meer aan [partij A] is verschuldigd;
  • [partij A] zowel in conventie als in reconventie zal veroordelen in de proceskosten.
4.3
Op de stellingen en verweren van partijen zal, voor zover nodig, hierna nader worden ingegaan.
5 De beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en het verzoek in het incident
Algemeen5.1 Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [partij A] .
5.2
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking van de jurisprudentie rechtvaardigen.
5.3
Toepassing van de jurisprudentie leidt in dit geval tot de volgende conclusies:
  • er is sprake van huurkoop;
  • er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden, evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
  • Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
  • [partij A] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;
  • er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade van [partij A] en de onrechtmatige daad van Dexia.
Verjaring
5.4
Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [partij A] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. [2] Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.
Tussenpersoon
5.5
[partij A] heeft de overeenkomsten met Dexia afgesloten via de tussenpersoon [naam] van SpaarSelect. Tussen partijen is niet in geschil dat [naam] niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022, [3] heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR Pro 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR Pro 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven.
5.6
Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningsplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen.
5.7
De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.8
De stelplicht en bewijslast dat [naam] [partij A] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat [naam] [partij A] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [partij A] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [partij A] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.
5.9
Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is, weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [partij A] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomsten en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.1
[partij A] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:

Contractant is aan de deur door Spaar Select benaderd. De medewerker van Spaar Select stelde een financieel adviesgesprek voor om de financiële situatie van contractant door te nemen. Contractant heeft hiermee ingestemd en liet [naam] binnen. Contractant en [partij A1] waren bij dit gesprek aanwezig.
Tijdens het gesprek heeft [naam] , geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van contractant. Zo is met [naam] gesproken over de hypothecaire situatie, het inkomen van contractant, het pensioen en de gezinssituatie van contractant en [partij A1] . Contractant en [partij A1] hadden de koopwoning over kunnen nemen van familie waardoor zij een lage hypotheek hadden op de woning en er veel overwaarde was die nog opgenomen kon worden middels een tweede hypothecaire lening. Daarnaast is met [naam] gesproken over de wens van contractant om vermogen op te bouwen om het pensioen aan te vullen zodat hij eerder zou kunnen stoppen met werken en om de keuken te verbouwen. Contractant wilde graag eerder stoppen met werken zodat hij eerder samen met zijn vrouw leuke dingen kon doen. [naam] gaf aan dat het mogelijk was om deze doelen te bereiken en dat hij hier een geschikte constructie voor wist.
[naam] adviseerde contractant om drie Overwaarde Effect overeenkomsten van Bank Labouchere af te sluiten met een totale vooruitbetaling van ongeveer NLG 60.000. Contractant diende hiervoor de overwaarde op zijn woning op te nemen middels een tweede hypothecaire lening en deze aan te wenden voor de vooruitbetalingen van de Overwaarde Effect overeenkomsten. In het bijzonder diende contractant een bedrag van NLG 76.500,00 op te nemen vanuit de tweede hypothecaire lening. Van dit bedrag zou een bedrag van ongeveer NLG 60.000,00 door contractant aangewend kunnen worden om de vooruitbetaling van de Overwaarde Effect overeenkomsten te voldoen. Een bedrag van NLG 4.095,- zou aangewend kunnen worden om de hypotheekkosten te dekken en een bedrag van NLG 12.000,- kon contractant gebruiken als buffer om een deel van de hypotheekrentekosten te dekken. Volgens [naam] zou contractant op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor contractant eerder zou kunnen stoppen met werken.
[naam] ondersteunde zijn advies aan de hand van een prognose waarmee hij inzichtelijk maakte welke opbrengsten contractant kon verwachten. Met het prognose-overzicht zette [naam] uiteen dat het Overwaarde Effect na verloop van vijf jaar genoeg zou opbrengen om de tweede hypothecaire lening af te lossen en daarbij nog een winst van ongeveer NLG 30.000 over te houden. Ook zou een deel van de hypotheekrentekosten gedurende de looptijd van de overeenkomsten bekostigd kunnen worden vanuit de verwachte dividendopbrengsten. Het prognoseoverzicht wordt overgelegd als productie D. Tevens zouden contractant en [partij A1] een extra bedrag op kunnen nemen vanuit de overwaarde. Dit bedrag zouden zij kunnen gebruiken om de keuken te verbouwen.
[naam] heeft contractant niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan, de hypotheek niet kon worden afgelost en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten. Als contractant op deze risico’s gewezen was had hij het Overwaarde Effect nooit afgesloten.
Contractant had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft contractant het advies van de adviseur opgevolgd. De aanvraag voor de Overwaarde Effect overeenkomsten zijn door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomsten zijn op een later moment ondertekend.
Conform het advies van de adviseur heeft contractant drie Overwaarde Effect overeenkomsten met vooruitbetalingen van respectievelijk NLG 19.243,68, NLG 19.243,68 en NLG 21.687,15.
Een hypothecaire lening is bij SNS Bank afgesloten voor NLG 85.000,-. Vanuit leensom I, een bedrag van NLG 76.500,-, is een bedrag van NLG 60.174,51 aangewend voor de vooruitbetaling van de Overwaarde Effect overeenkomsten van Bank Labouchere. Ook heeft contractant een extra bedrag opgenomen ter waarde van NLG 8.500,-. Dit bedrag heeft contractant aangewend voor de verbouwing van de keuken. De concepthypotheekakte wordt overgelegd als productie E.
Het opvolgen van het advies heeft voor contractant desastreus uitgepakt. In plaats van het voorgespiegelde vermogen dat zou worden opgebouwd, is contractant de betaalde inleg geheel kwijtgeraakt. Daarnaast heeft contractant een restschuld aan de overeenkomsten overgehouden en kon contractant de extra opgenomen hypotheek niet aflossen. Contractant heeft de restschuld betaald.
5.11
[partij A] heeft, ter onderbouwing van haar stellingen, voor zover van belang, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
  • een kopie van de aanvraagformulieren die hebben geleid tot de overeenkomsten waarop het product is aangekruist en welk formulier ook door [naam] is ondertekend met diens ATP-nummer [ATP-nummer] ;
  • een kopie van de overeenkomsten op naam van dhr. [partij A2] met contractnummers [contractnummer 1] , [contractnummer 2] en [contractnummer 3] , voorzien van het adviseursnummer [ATP-nummer] Spaar Select B.V.,
  • een prognose overzicht “Overwaarde Effect zonder lasten” op briefpapier van SpaarSelect, met daarop een berekening van de maandlasten en rente bij een hypothecaire lening;
  • een kopie van de hypotheekakte, waarbij dhr. [partij A2] en mw. [partij A1] een hypotheek hebben gevestigd tegen behoeve van een door hen aangegane geldlening.
AANHOUDINGSVERZOEK EN NIEUWE ARGUMENTEN DEXIA
Aanhoudingsverzoek
5.12
Dexia heeft grote bezwaren tegen de door haar zo genoemde ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
5.13
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.
(Nieuwe) argumenten Dexia
5.14
Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
  • dat (de gemachtigde van [partij A] ) Leaseproces ten onrechte op zijn woord wordt geloofd;
  • dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
  • dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust; en
  • dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
5.15
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [partij A] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de medewerker van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. [4] Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in haar geval heeft [partij A] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [partij A] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomsten dan wel tot stand waren gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [partij A] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [partij A] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [partij A] en de medewerker van SpaarSelect, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [partij A] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
Wetenschap Dexia
5.16
In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van Spaar Select aan [partij A] . Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Zij was er door haar nauwe samenwerking met Spaar Select bij de verkoop van haar producten namelijk mee bekend dat Spaar Select standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaf aan de cliënten die zij als remisier vervolgens bij Dexia aanbracht als afnemers van effectenleaseproducten. Dit is een voldoende onderbouwing van de stelling van [partij A] dat Dexia ook in haar geval bekend behoorde te zijn met de advisering van haar door Spaar Select. Dexia heeft hiertegenover slechts gesteld dat zij niet kan weten hoe het in dit concrete geval is gegaan. Deze betwisting door Dexia is onvoldoende om de conclusie dat zij dit wel had behoren te weten te ondergraven. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [partij A] voor rekening van Dexia.
Aansprakelijkheid Dexia
5.17
Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [partij A] de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens [partij A] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [partij A] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. [5] Er kunnen situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW Pro voor rekening van [partij A] te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
Vorderingen van [partij A]
5.18
De door [partij A] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [partij A] heeft gehandeld door [partij A] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat [naam] niet alleen als klant aanbracht maar [partij A] tevens persoonlijk had geadviseerd en [naam] geen vergunning daarvoor bezat. De verklaring voor recht dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatige handelen van Dexia en Dexia gehouden is de schade te vergoeden, zal ook worden toegewezen.
Schade
5.19
De als gevolg hiervan door [partij A] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (de termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [partij A] , behoudens het daarin berekende fiscaal voordeel, niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 25 november 2021. [6] De wettelijke rente is verschuldigd over het door te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in Hoge Raad 1 mei 2015 en Hoge Raad 3 februari 2017. [7] Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019. [8]
5.2
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [partij A] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
Incidentele vordering van Dexia
5.21
Dexia vordert dat [partij A] wordt veroordeeld een afschrift van het intakeformulier althans van andere schriftelijke documenten waaraan de door Leaseproces namens [partij A] in deze procedure feitelijke stellingen zijn ontleend, aan Dexia te verstrekken.
5.22
Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [partij A] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.
5.23
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [partij A] worden tot op heden begroot op € 82,00.
Vorderingen van Dexia
5.24
Gelet op de beoordeling in conventie, zullen de vorderingen van Dexia worden afgewezen.
Proceskosten in conventie en in reconventie
5.25
Omdat [partij A] grotendeels inhoudelijk gelijk zal krijgen, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [partij A] gevallen.
Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van [partij A] worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 732,00
- salaris gemachtigde € 576,00 (2 punten x tarief € 288,00)
- nakosten
€ 100,00
Totaal € 1.552,47
5.26
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld.

6.De beslissing

De kantonrechter
in het incident van Dexia
6.1
wijst de vordering af;
6.2
veroordeelt Dexia in de proceskosten van [partij A] , tot op heden begroot op
€ 82,00;
in conventie
6.3
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [partij A2] , zijnde de rechtsvoorganger van [partij A] , heeft gehandeld door [partij A2] als cliënt te accepteren, terwijl zij behoorde te weten dat [naam] hem niet alleen als klant aanbracht, maar ook persoonlijk had geadviseerd en [naam] geen vergunning daarvoor bezat;
6.4
verklaart voor recht dat [partij A2] en iedere erfgenaam van [partij A2] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en dat Dexia gehouden is om deze schade ten behoeve van de gemeenschap te vergoeden aan [partij A] als wettelijk erfgenaam en rechtsopvolger van [partij A2] te vergoeden;
6.5
veroordeelt Dexia om aan
[partij A]te betalen een schadevergoeding van
€ 23.597,37, vermeerderd met de wettelijke rente daarover zoals weergegeven in rechtsoverweging 5.19;
6.6
veroordeelt Dexia in de proceskosten van [partij A] van € 1.552,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen;
6.7
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.8
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.9
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
6.1
wijst de vordering af;
6.11
veroordeelt Dexia in de proceskosten van [partij A] , tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.L. Alers, kantonrechter-plaatsvervanger, en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.Zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 mei 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462 en gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:20 en de arresten van Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025 waaronder ECLI:NL:GHARL:2025:684.
3.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.
4.Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:845 en gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
5.Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.
7.ECLI:NL: HR:2015:1198 en ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3.