ECLI:NL:RBOVE:2026:722

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
11779354 \ CV EXPL 25-2041
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:310 BWArt. 3:69 BWArt. 3:72 lid 1 BWArt. 6:101 BWArt. 6:198 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige advisering en schadevergoeding bij effectenleaseovereenkomst

Deze civiele zaak betreft een effectenleaseovereenkomst die wijlen [erflater] met Dexia is aangegaan via een tussenpersoon zonder vergunning. Na beëindiging van de overeenkomst leed [erflater] financieel verlies. De erfgenaam vordert schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van Dexia.

Dexia voerde verjaring aan, maar de rechtbank oordeelde dat de verjaring tijdig is gestuit door sommatiebrieven en bekrachtiging van stuitingshandelingen door de erfgenaam. De kern van het geschil betrof de vraag of Dexia wist of behoorde te weten dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies gaf.

De rechtbank concludeerde dat Dexia haar zorgplicht, waaronder de waarschuwingsplicht, heeft geschonden door de overeenkomst te accepteren terwijl zij op de hoogte had moeten zijn van de vergunningplichtige advisering. Dexia werd veroordeeld tot vergoeding van de volledige schade van € 4.154,31 plus wettelijke rente aan de erfgenaam. Proceskosten werden eveneens aan Dexia opgelegd.

Uitkomst: Dexia is onrechtmatig jegens de erfgenaam en moet volledige schadevergoeding betalen plus proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11779354 \ CV EXPL 25-2041
Vonnis van 3 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
handelend, ten behoeve van de gemeenschap van erfgenamen,
in hoedanigheid van wettelijk erfgenaam van [erflater],
wonende te [woonplaats],
eisende partij in conventie in de hoofdzaak en in het incident,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces),
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak en in het incident,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
hierna te noemen: Dexia,
gemachtigde: USG Legal Professionals.

1.Kern van de zaak

1.1.
Wijlen [erflater] (hierna: [erflater]) heeft via [bedrijf] een effectenleaseovereenkomst gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Op grond van de overeenkomst leende [erflater] geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. Aan het einde van de overeenkomst werden de aandelen verkocht en moest [erflater] het geleende geld terugbetalen. In dit geval was de waarde van de aandelen bij verkoop zodanig dat hij verlies heeft geleden. Het gaat in deze zaak om de vraag of Dexia de door [erflater] geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2.
Dexia beroept zich op verjaring van de vordering van [erflater]. Dat beroep wijst de kantonrechter af. Vervolgens komt de kantonrechter tot het oordeel dat Dexia de door [erflater] geleden schade in het geheel ten behoeve van de gemeenschap aan [eiser] als wettelijk erfgenaam en rechtsopvolger van Van de Beld moet vergoeden.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 25 juni 2025 met incidentele vordering;
  • de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie tevens houdende conclusie van antwoord in het exhibitie-incident tevens houdende conclusie van eis in het exhibitie-incident;
  • de conclusie van antwoord inzake vordering in het exhibitie-incident tevens houdende conclusie van repliek in conventie tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in conventie tevens houdende conclusie van repliek in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in reconventie tevens houdende akte uitlaten producties in conventie.
2.2.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

3.De feiten

3.1.
[erflater] heeft de volgende leaseovereenkomst gesloten waarop hij als lessee stond vermeld, met (Bank Labouchere, de rechtsvoorganger van) Dexia:
Contractnummer
Datum
Naam overeenkomst
1
[nummer 1]
03-04-1998
Triple Effect
3.2.
Nadat [erflater] deze overeenkomst tussentijds heeft beëindigd, heeft Dexia een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
1
03-04-2001
- € 318,91
n.v.t.
3.3.
Volgens opgave van Dexia heeft [erflater] op grond van de overeenkomst in totaal € 7.775,95 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Volgens dezelfde opgave [erflater] € 54,91 aan dividenden ontvangen en € 3.247,82 aan fiscaal voordeel genoten.
3.4.
De gemachtigde van [eiser] heeft bij brief van 2 juni 2006 de nietigheid, vernietiging dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, onrechtmatige daad, misleidende reclame en dwaling. In de brief wordt ook het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden aan te voeren.
3.5.
[erflater] is op 23 juni 2019 overleden. [eiser] is erfgenaam van [erflater] en heeft ten behoeve van de gemeenschap van erfgenamen op 7 november 2024 mr. G. van Dijk van Leaseproces gevolmachtigd om (samengevat) in rechte tegen Dexia op te treden in het geschil betreffende de overeenkomst. Daarbij heeft zij ook de in 2012, 2016, 2017 en 2021 door Leaseproces namens [erflater] en/of haarzelf verrichte stuitingshandelingen bekrachtigd en bevestigd.
4. Het geschil
4.1.
[eiser] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
in het incident
- Dexia ex artikel 194 lid 1 jo Pro. 195 lid 1 Rv zal veroordelen een afschrift van het aanvraagformulier van de overeenkomst te verstrekken;
in de hoofdzaak
  • voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar is tekortgeschoten jegens [erflater], zijnde de rechtsvoorganger van [eiser];
  • voor recht zal verklaren dat [erflater] en iedere erfgenaam van hem schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is om deze schade ten behoeve van de gemeenschap te vergoeden aan [eiser] als wettelijk erfgenaam en rechtsopvolger van [erflater];
  • Dexia zal veroordelen om de schade die [eiser] door het onrechtmatig handelen van Dexia heeft geleden, te vergoeden en tegen behoorlijk bewijs van kwijting ten behoeve van de gemeenschap aan [eiser] als wettelijk erfgenaam en rechtsopvolger van [erflater] te voldoen al hetgeen [erflater] heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente;
  • Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van [eiser], vermeerderd met de wettelijke rente;
  • Dexia zal veroordelen tot betaling van de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen van [eiser] en concludeert tot afwijzing van de vorderingen. Het verweer mondt uit in een incidentele vordering en een tegenvordering waarbij Dexia (samengevat) vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
in het incident
- [eiser] ex artikel 195 Rv Pro zal veroordelen om Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier althans van andere schriftelijke documenten waaraan de door Leaseproces, namens [eiser], in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen zijn ontleend;
in de hoofdzaak
  • voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [erflater] gesloten overeenkomst met nummer [nummer 1] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [eiser] is verschuldigd;
  • [eiser] zowel in conventie als in reconventie zal veroordelen in de proceskosten.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en in de incidenten
Algemeen
5.1.
Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [erflater].
5.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking van de jurisprudentie rechtvaardigen.
5.3.
Toepassing van de jurisprudentie leidt in dit geval tot de volgende conclusies:
  • er is sprake van huurkoop;
  • er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden, evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
  • Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
  • [erflater] heeft schade geleden;
  • er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade van [erflater] en de onrechtmatige daad van Dexia.
Verjaring
5.4.
Het meest verstrekkende verweer van Dexia is haar beroep op verjaring. Dexia heeft erop gewezen dat [erflater] in 2019 is overleden. In haar conclusie van antwoord stelt Dexia vervolgens dat de vorderingen van [eiser] in 2022 zijn verjaard. Zij voert daartoe aan dat de verjaring namens [erflater] in 2017 voor het laatst is gestuit en de eerstvolgende stuitingshandeling uit 2021 niet namens [erflater] is verricht (aangezien hij reeds was overleden) en ook niet namens [eiser], omdat zij Leaseproces pas in 2024 had gevolmachtigd. In haar conclusie van dupliek heeft Dexia zich vervolgens op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [erflater] al in 2006 zijn verjaard. Daartoe heeft zij aangevoerd dat [erflater] met de ontvangst van de eindafrekening in april 2001 bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke partij. Dat betekent volgens Dexia dat de verjaringstermijn van vijf jaar (artikel 3:310 BW Pro) begin april 2006 (en dus vóór de eerste sommatiebrief van juni 2006) was voltooid.
5.5.
De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling van Dexia dat de vorderingen reeds in 2006 zijn verjaard. [eiser] heeft namelijk gewezen op een door [erflater] aan Dexia per aangetekende post verstuurde sommatiebrief van 25 april 2005. Daarin wordt de verjaring gestuit. De stempel op de brief vermeld dat de brief op 26 april 2005 door Dexia is ontvangen. Gerekend vanaf de ontvangst van de eindafrekening begin april 2001, is de verjaring dus tijdig gestuit.
5.6.
Ook de stelling van Dexia dat de vorderingen in 2022 zijn verjaard, gaat niet op. Tussen partijen is namelijk niet in geschil dat [eiser] op 7 november 2024 aan Leaseproces volmacht heeft verleend om namens [eiser] in rechte tegen Dexia op te treden en dat [eiser] in dezelfde volmacht de stuitingsbrieven uit 2012, 2016, 2017 en 2021 heeft bekrachtigd in de zin van artikel 3:69 BW Pro. [eiser] heeft weliswaar aangevoerd dat Dexia reeds in januari 2020 wist van het overlijden van [erflater] en bekend was met de volmacht van [eiser] aan Leaseproces, maar dat heeft [eiser] in het licht van de gemotiveerde betwisting van Dexia, onvoldoende onderbouwd. Vervolgens heeft Dexia het standpunt ingenomen dat de volmacht uit 2024 te laat is voor de stuiting van de verjaring. Dat argument wordt gepasseerd en daartoe acht de kantonrechter het volgende redengevend. Door het overlijden van [erflater] is zijn volmacht aan Leaseproces geëindigd (artikel 3:72 lid 1 BW Pro). Op grond van artikel 3:69 BW Pro kan een rechtshandeling die is verricht door iemand die daartoe niet specifiek gevolmachtigd was, worden bekrachtigd. Dat laatste heeft [eiser] als erfgenaam in de volmacht van 7 november 2024 gedaan. Dit brengt mee, dat de verjaring met de door Leaseproces namens (de erfgenamen van) [erflater] verstuurde stuitingsbrieven, steeds tijdig is gestuit. Gelet daarop, behoeft het beroep van Leaseproces op zaakwaarnemer in de zin van artikel 6:198 BW Pro en 6:201 BW niet meer te worden beoordeeld.
Tussenpersoon
5.7.
[erflater] heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon [bedrijf]. Tussen partijen is niet in geschil dat [bedrijf] niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022, heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR Pro 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR Pro 1995). [2] Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning) tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven.
5.8.
Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021, [3] dat heeft geleid tot de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019, toegelicht dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. [4] Er is in deze zaak geen reden om anders te oordelen.
5.9.
De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.10.
De stelplicht en bewijslast dat [bedrijf] [erflater] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat [bedrijf] [erflater], anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eiser] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.
5.11.
Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is, weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [erflater] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.12.
Over de feitelijke gang van zaken stelt [eiser] dat [erflater] al bekend was met [bedrijf] omdat hij een aantal verzekeringen (zoals een aansprakelijkheids-, inboedel- en autoverzekering) had lopen via het kantoor en een medewerker van [bedrijf]. De medewerker kwam jaarlijks bij [erflater] thuis om de verzekeringen door te spreken en te kijken of er iets gewijzigd moest worden, aldus [eiser]. Dat gebeurde ook in 1998. De partner van [erflater] was ook aanwezig bij het gesprek. De medewerker van [bedrijf] was op de hoogte de woonsituatie van [erflater], die bij zijn partner inwoonde, en dat [erflater] beschikte over spaargeld dat hij opzij had gezet voor zijn pensioen. Na het bespreken van de verzekeringen, bracht de medewerker volgens [eiser] het onderwerp van het spaargeld ter sprake en dat [erflater] was afgekeurd en een WAO uitkering ontving. Omdat [erflater] weinig pensioen had opgebouwd, zette hij geld opzij om daarvoor te sparen. Volgens [eiser] gaf de medewerker aan een rendabelere manier te weten om het spaargeld te investeren waarmee [erflater] een mooier bedrag aan pensioen zou opbouwen.
[eiser] stelt dat de medewerker [erflater] het advies gaf een Triple Effect product van Bank Labouchere met maandelijkse betalingen van ongeveer NLG 490,00 af te sluiten en het spaargeld aan te wenden om de maandelijkse betalingen te voldoen. De hoogte werd volgens [eiser] gebaseerd op de hoogte van het spaargeld dat [erflater] beschikbaar had. [eiser] stelt dat de medewerker aangaf dat op deze manier aanzienlijk vermogen zou worden opgebouwd waardoor [erflater] voor een mooie aanvulling op zijn pensioen zou kunnen sparen. De medewerker zou verder hebben aangegeven dat hij zelf ook zijn geld op deze manier investeerde en dat dat goed liep. Ook stelt [eiser] dat de medewerker heeft aangegeven dat met het Triple Effect de inleg van [erflater] na drie jaar verdrievoudig zou zijn.
[eiser] voert aan dat de medewerker [erflater] niet heeft geïnformeerd over de specifieke risico’s. Hij zou er niet op hebben gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en een schuld kon ontstaan uit hoofde van de overeenkomst. [eiser] stelt dat als [erflater] op deze risico’s was gewezen, hij het Triple Effect nooit had gesloten. Volgens [eiser] had [erflater] geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten. Daarom vertrouwde hij volledig op de deskundigheid en het advies van de medewerker en heeft hij het advies opgevolgd. De aanvraag voor het Triple Effect heeft de medewerker in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst met een maandelijkse betaling van NLG 489,61 is op een later moment ondertekend, aldus [eiser].
[eiser] stelt dat het opvolgen van het advies van de medewerker desastreus voor [erflater] heeft uitgepakt, want in plaats van het vermogen dat zou worden opgebouwd, is hij de betaalde inleg nagenoeg geheel kwijtgeraakt.
5.13.
Ter onderbouwing van haar stellingen heeft [eiser], voor zover van belang, gewezen op de volgende stukken die zij in het geding heeft gebracht:
  • een kopie van de Triple Effect leaseovereenkomst met nummer [nummer 1] op naam van [erflater] met vermelding van een maandelijkse leasesom van NLG 489,61 voorzien van het adviseursnummer [nummer 2] [bedrijf], ondertekend door [erflater] en (Bank Labouchere, de rechtsvoorganger van) Dexia;
  • een kopie van een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van [bedrijf] met als laatste bedrijfsomschrijving: ‘
Aanhoudingsverzoek
5.14.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de door haar zo genoemde ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
5.15.
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.
(Nieuwe) argumenten Dexia
5.16.
Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
  • dat Leaseproces (de gemachtigde van [eiser]) ten onrechte op haar woord wordt geloofd;
  • dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
  • dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust; en
  • dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
5.17.
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [eiser] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de medewerker van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. [5] Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in dit geval, heeft [eiser] tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [eiser] geschetste gang van zaken. Dexia had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomst dan wel tot stand was gekomen. Nu Dexia dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [eiser] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen en wordt er niet aan bewijslevering toegekomen.
Dat de gemachtigde van [eiser] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [eiser] en de medewerker van de tussenpersoon [bedrijf], komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [eiser] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent, betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
Wetenschap Dexia
5.18.
In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van [bedrijf] aan [eiser]. Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering, is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [eiser] voor rekening van Dexia.
Aansprakelijkheid Dexia
5.19.
Nu Dexia ondanks het voorgaande de overeenkomst toch met [erflater] is aangegaan, heeft zij jegens [erflater] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [erflater] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. [6] Er kunnen situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW Pro voor rekening van een afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn geen feiten en omstandigheden aanwezig die daartoe aanleiding geven. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
De door [eiser] gevorderde verklaring voor recht
5.20.
De door [eiser] gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [erflater] heeft gehandeld door hem als cliënt te accepteren, terwijl Dexia behoorde te weten dat [bedrijf] [erflater] niet alleen als klant aanbracht, maar ook persoonlijk had geadviseerd en daarvoor geen vergunning bezat. De verklaring voor recht dat [erflater] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is de schade ten behoeve van de gemeenschap aan [eiser] als wettelijk erfgenaam en rechtsopvolger van Van de Beld te vergoeden, zal ook worden toegewezen.
Schade
5.21.
De geleden schade is door partijen in de processtukken besproken. Zoals hiervoor is geoordeeld, komt alle schade voor rekening van Dexia. [eiser] heeft de schade berekend op € 4.154,31. Dexia heeft de berekening van [eiser] niet betwist, zodat de kantonrechter dit bedrag zal toewijzen. De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten geformuleerd in de arresten van de Hoge Raad van 1 mei 2015 en 3 februari 2017. [7] Een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet aan de orde. Niet is gebleken dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan de werkzaamheden genoemd in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019. [8]
5.22.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [eiser] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
Incidentele vordering van [eiser]
5.23.
[eiser] heeft een vordering ingesteld tot veroordeling van Dexia ex artikel 194 jo Pro. 195 Rv om een afschrift te verstrekken van het aanvraagformulier van de overeenkomst. Alhoewel Dexia deze stukken niet heeft overgelegd, zal de vordering van [eiser] worden afgewezen. Uit het voorgaande volgt namelijk dat [eiser] in het gelijk zal worden gesteld. Zij heeft dan ook geen belang meer bij een afschrift van de stukken in deze procedure. De proceskosten in dit incident zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Incidentele vordering van Dexia
5.24.
Dexia vordert dat [eiser] wordt veroordeeld om ex artikel 195 Rv Pro een afschrift aan Dexia te verstrekken van het intakeformulier althans van andere schriftelijke documenten waaraan de door Leaseproces namens [eiser] in deze procedure feitelijke stellingen zijn ontleend.
5.25.
Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [eiser] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces zijn terechtgekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.
5.26.
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [eiser] worden tot op heden begroot op € 82,00.
De door Dexia gevorderde verklaring voor recht
5.27.
Gelet op de voorgaande beoordeling, zal de reconventionele vordering van Dexia om voor recht te verklaren dat zij met betrekking tot de tussen haar en [erflater] gesloten overeenkomst met nummer [nummer 1] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [eiser] verschuldigd is, worden afgewezen.
Proceskosten in conventie en in reconventie
5.28.
Omdat [eiser] grotendeels inhoudelijk gelijk zal krijgen, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eiser]. Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van [eiser] worden daarmee begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
542,00
(2 punt × € 271,00)
- nakosten
100,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.518,47
5.29.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld.

6.De beslissing

De kantonrechter
in het incident van [eiser]
6.1.
wijst de vordering af;
6.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in het incident van Dexia
6.3.
wijst de vordering af;
6.4.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van [eiser], tot op heden begroot op € 82,00;
in conventie
6.5.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [erflater] heeft gehandeld door hem als cliënt te accepteren, terwijl Dexia behoorde te weten dat [bedrijf] [erflater] niet alleen als klant aanbracht, maar hem ook persoonlijk had geadviseerd en [bedrijf] geen vergunning daarvoor bezat;
6.6.
verklaart voor recht dat [erflater] schade heeft geleden als gevolg van onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is om deze schade ten behoeve van de gemeenschap aan [eiser] als wettelijk erfgenaam en rechtsopvolger van Van de Beld te vergoeden;
6.7.
veroordeelt Dexia om aan [eiser] de schade van € 4.154,31 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover zoals weergegeven in rechtsoverweging 5.21.;
6.8.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van [eiser] van € 1.518,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen;
6.9.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.10.
verklaart de veroordelingen tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.11.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
6.12.
wijst de vordering af;
6.13.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van [eiser], tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.L. Alers, kantonrechter-plaatsvervanger, en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI:NL:2022:862.
5.Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379. Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
6.Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.
7.ECLI:NL: HR:2015:1198 en ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3.