Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 juli 2024 in de zaken tussen
flatexDEGIRO Bank AG, gevestigd in Frankfurt am Main (Duitsland), eiseres
Stichting Autoriteit Financiële Markten, verweerster (AFM)
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).
Inleiding
Feiten en totstandkoming van de besluiten
Beoordeling door de rechtbank
aanwie een boete kan worden opgelegd, maar
doorwie. Eiseres was ten tijde van het boetebesluit en de bestreden besluiten een bank, zodat de Nederlandsche Bank N.V. (DNB) en niet de AFM bevoegd is tot het opleggen van een bestuurlijke boete. Eiseres meent dat het legaliteits-, rechtszekerheids- en specialiteitsbeginsel geschonden zijn, omdat er geen wettelijke bepaling is aan te wijzen die de AFM de bevoegdheid verleent om (bijkantoren van) banken te beboeten. Dit maakt volgens eiseres ook inhoudelijk uit, omdat DNB en de AFM ieder hun eigen boetebeleid hanteren.
aanwie de boete moet worden opgelegd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM7776). Daaruit kan ook worden afgeleid
doorwie de boete moet worden opgelegd, namelijk de bevoegde toezichthouder ten tijde van de overtreding. Ook materieel gezien is dat naar het oordeel van de rechtbank logisch, omdat DeGiro ten tijde van de gestelde overtredingen als beleggingsonderneming onder toezicht stond van de AFM en DNB geen toezicht houdt op beleggingsondernemingen.
Eiseres is door de AFM beboet, omdat zij door de juridische fusie met DeGiro als rechtsopvolger onder algemene titel van DeGiro kwalificeert. Wanneer overtredingen door een bepaalde onderneming zijn begaan en deze onderneming fuseert of wordt overgenomen, kan de bestuurlijke boete aan de verkrijgende onderneming worden opgelegd. Eiseres heeft dit ook niet betwist. De AFM was dus bevoegd om eiseres te beboeten en om publicatiebesluit 1 en de bestreden besluiten te nemen.
kanhouden met witwassen of het financieren van terrorisme. Daarbij kan onderscheid gemaakt worden tussen objectieve en subjectieve indicatoren. Tussen partijen is niet in geschil dat het in dit geval gaat om ongebruikelijke transacties die op grond van de subjectieve indicator gemeld moesten worden. De subjectieve indicator schept een meldingsplicht op basis van de inschatting die de instelling zelf van een bepaalde situatie maakt. Het gaat dus om transacties waarbij er volgens de instelling aanleiding is om te veronderstellen dat ze verband kunnen houden met witwassen of financiering van terrorisme.
Ook de stelling van eiseres dat de AFM bij een eerder opgelegde last onder dwangsom geen specifieke aandacht aan het beleid van DeGiro met betrekking tot de meldplicht heeft besteed leidt niet tot een ander oordeel; de AFM verwijt DeGiro niet dat zij een vier ogen-principe hanteert of dat haar beleid niet voldoet aan de wetgeving, maar dat de tijd tussen de eerste beoordeling en de uiteindelijke melding in verschillende gevallen meer dan veertien dagen en daarmee te lang is.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
Informatie over hoger beroep
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving en beleid
ongebruikelijke transactie: transactie die op grond van de indicatoren bedoeld in artikel 15, eerste lid, als ongebruikelijk is aan te merken.