Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
1.1 Reikwijdte van het onderzoek
van artikel 67f Awr
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag omzetbelasting tot een bedrag van € 74.248 en vermindert de in rekening gebrachte belastingrente dienovereenkomstig;
- vernietigt de vergrijpboete;
- beslist dat, voor zover de thans vernietigde vergrijpboete is betaald, de wettelijke rente is verschuldigd over de termijn tussen de betaling en de terugbetaling;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn aan belanghebbende van € 256,41;
- veroordeelt de Minister tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn aan belanghebbende van € 576,92;
- veroordeelt de inspecteur in de kosten in bezwaar van belanghebbende tot een bedrag van € 538;
- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 345 aan deze vergoedt; en
- beslist dat, voor zover de vergoeding van immateriële schade, de proceskostenvergoeding of de vergoeding van het griffierecht niet tijdig wordt betaald, de wettelijke rente daarover in zoverre gaat lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: