ECLI:NL:RBZWB:2026:1039
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op hogere WIA-uitkering en terugvordering voorschotten door UWV
Eiseres diende een aanvraag in voor een WIA-uitkering na arbeidsongeschiktheid door ziekte. Het UWV kende haar aanvankelijk voorschotten toe, maar wees de WIA-uitkering primair af wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en vorderde de voorschotten terug omdat zij geen WW-uitkering had aangevraagd. Na bezwaar keerde het UWV de WIA-uitkering alsnog toe en verklaarde het bezwaar tegen de terugvordering ongegrond.
Eiseres voerde aan dat de berekening van het dagloon discriminerend was vanwege haar parttime studie naast werk, waardoor zij minder kon werken en verdienen. Zij stelde dat dit als loonloze periode moest worden aangemerkt en dat zij recht had op een hogere uitkering. Ook betwistte zij de terugvordering van voorschotten.
De rechtbank oordeelde dat het UWV het dagloon correct had vastgesteld volgens het Dagloonbesluit en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een afwijking rechtvaardigden. De situatie van eiseres betrof geen loonloze periode en er was geen sprake van discriminatie. De terugvordering van voorschotten was feitelijk verrekend met de toegekende WW-uitkering, waardoor eiseres geen actueel belang had bij het beroep tegen de terugvordering. Het beroep tegen de vaststelling van het dagloon werd ongegrond verklaard en het beroep tegen de terugvordering niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van het WIA-dagloon is ongegrond en het beroep tegen de terugvordering van voorschotten niet-ontvankelijk verklaard.