ECLI:NL:RVS:2017:756
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing rijgeschiktheid na drugsgebruik en weigering medewerking onderzoek
Appellant werd aangehouden met een gebruikershoeveelheid drugs en verklaarde verslaafd te zijn aan harddrugs. Het CBR legde hem een onderzoek naar rijgeschiktheid op en schorste zijn rijbewijs. Appellant gaf geen gehoor aan het onderzoek, waarna het CBR zijn rijbewijs ongeldig verklaarde. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang.
De Raad van State oordeelt dat appellant wel degelijk een actueel belang heeft bij behandeling van zijn beroep, omdat vernietiging van het besluit van 11 mei 2015 zou betekenen dat hij zonder medewerking aan het onderzoek een nieuw rijbewijs zou kunnen aanvragen. De Afdeling vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en behandelt het beroep inhoudelijk.
Appellant betwist de waarde van zijn verklaringen en het vermoeden van ongeschiktheid, maar de Afdeling stelt dat het CBR terecht uitgaat van het proces-verbaal en de feiten dat appellant drugs gebruikte en in het bezit was van verdovende middelen. Het CBR hoefde niet te bewijzen dat appellant onder invloed reed, slechts dat er een vermoeden van ernstig gestoord inzicht of gedrag is. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
De Afdeling bepaalt dat appellant het betaalde griffierecht terugkrijgt en bevestigt daarmee het belang van het CBR om de verkeersveiligheid te waarborgen door het opleggen van geschiktheidsonderzoeken bij vermoedens van ongeschiktheid.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen het CBR-besluit wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd.