ECLI:NL:RVS:2020:2169
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking exploitatievergunning horecabedrijf op grond van slecht levensgedrag niet in strijd met Dienstenrichtlijn
De burgemeester van Amsterdam heeft de exploitatievergunning van een alcoholvrij horecabedrijf ingetrokken vanwege het slechte levensgedrag van de exploitant, waaronder meerdere veroordelingen en overtredingen binnen en buiten de terugkijktermijn van vijf jaar. De exploitant maakte bezwaar tegen deze besluiten en stelde beroep in bij de rechtbank, die oordeelde dat het criterium van slecht levensgedrag niet verenigbaar was met de Dienstenrichtlijn en de besluiten vernietigde.
Zowel de burgemeester als de exploitant stelden hoger beroep in bij de Raad van State. De exploitant werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van de gronden van het hoger beroep binnen de gestelde termijn. De Raad van State oordeelde dat het criterium van slecht levensgedrag wel voldoet aan de eisen van artikel 10 van Pro de Dienstenrichtlijn, omdat het duidelijk, objectief en vooraf kenbaar is gemaakt en gebaseerd is op een vaste gedragslijn van de burgemeester.
De Raad van State stelde vast dat de burgemeester terecht een bepaald gedragspatroon heeft vastgesteld dat een bedreiging vormt voor de openbare orde, veiligheid en het woon- en leefklimaat. Ook het niet-vervolgen van de exploitant voor omkoping doet hieraan niet af. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep van de exploitant ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de burgemeester is gegrond verklaard en het beroep van de exploitant niet-ontvankelijk; de intrekking van de vergunning is gerechtvaardigd.