ECLI:NL:RVS:2020:2633
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongeldigverklaring rijbewijs na onderzoek naar alcohol- en drugsgebruik
Appellant kreeg zijn rijbewijs ongeldig verklaard door het CBR na een verkeersongeval waarbij hij een ademalcoholgehalte van 790 µg/l had. Het CBR legde een onderzoek op naar zijn rijgeschiktheid, dat ook drugsgebruik omvatte. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek zich ook op drugsgebruik mocht richten en dat het CBR het rijbewijs terecht ongeldig verklaarde op basis van het psychiatrisch rapport dat cannabismisbruik vaststelde.
Appellant stelde in hoger beroep dat het onderzoek zich niet op drugsgebruik had mogen richten en dat het rapport gebreken vertoonde, onder meer omdat hij niet vooraf was geïnformeerd over het drugsaspect en hij geen tweede onderzoek kon betalen. De Afdeling verwierp deze bezwaren en wees op eerdere jurisprudentie dat een onderzoek naar aanleiding van alcoholgebruik ook andere relevante omstandigheden mag betrekken.
De Afdeling oordeelde dat het CBR het rapport zorgvuldig had laten opstellen en dat appellant geen concrete aanwijzingen had gegeven die twijfel aan de zorgvuldigheid of de motivering van het rapport rechtvaardigen. Ook was er geen schending van het beginsel van equality of arms, aangezien appellant de mogelijkheid had gekregen een tweede onderzoek op eigen kosten te vragen.
Ten slotte is het CBR op grond van de dwingende regelgeving gehouden het rijbewijs ongeldig te verklaren indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft, zonder ruimte voor belangenafweging. Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het rijbewijs van appellant blijft ongeldig.