ECLI:NL:RVS:2020:756
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A. Kuijer
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende identiteitsbewijs en huwelijksonduidelijkheid
De vreemdeling verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis bij haar vermeende echtgenoot, die een verblijfsvergunning asiel heeft. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat de vreemdeling haar identiteit en het huwelijk niet aannemelijk kon maken. De rechtbank vernietigde dit besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen.
De staatssecretaris verklaarde het bezwaar opnieuw ongegrond en stelde dat de vreemdeling wisselende verklaringen gaf over haar identiteitsdocumenten en geen substantieel bewijs overlegde. De vreemdeling voerde aan dat zij haar identiteit wel aannemelijk had gemaakt met onder meer een registratiekaart van de UNHCR en een rantsoenkaart, en dat het huwelijk aannemelijk was.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris in lijn met zijn nieuwe gedragslijn handelde en dat de onofficiële documenten onvoldoende bewijs vormden. De wisselende verklaringen over de identiteit onderbouwden het standpunt van de staatssecretaris. Hierdoor hoefde de staatssecretaris het huwelijk niet inhoudelijk te beoordelen. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdeling, terwijl tevens griffierecht werd geheven. De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 13 maart 2020.
Uitkomst: Het beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf bevestigd.