ECLI:NL:RVS:2021:936
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- G.M.H. Hoogvliet
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over intrekking verblijfsvergunning en bewaring vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid trok op 29 oktober 2020 de verblijfsvergunning van de vreemdeling in vanwege een verblijf van meer dan zes maanden buiten Nederland. Het besluit werd per post naar het laatst bekende adres verzonden, maar retour ontvangen. De vreemdeling werd op 22 januari 2021 persoonlijk geïnformeerd. De rechtbank oordeelde dat de bekendmaking niet rechtsgeldig was en hief de bewaring op.
De staatssecretaris ging in hoger beroep en stelde dat het besluit rechtsgeldig was bekendgemaakt door verzending naar het laatst bekende adres, waarbij de vreemdeling gehouden was zijn adreswijziging te melden. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het besluit niet rechtsgeldig achtte en dat de bewaring terecht was opgelegd omdat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf had op het moment van bewaring.
De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €1.068,00. De Raad van State besprak ook de gronden voor de maatregel van bewaring en verwierp het bezwaar van de vreemdeling tegen de toegepaste gronden en de grondslag voor de ophouding.
Deze uitspraak bevestigt dat verzending naar het laatst bekende adres voldoet aan de wettelijke eisen voor bekendmaking en dat het niet melden van adreswijzigingen door de vreemdeling voor zijn rekening komt. De maatregel van bewaring was daarmee rechtmatig gebaseerd op het ontbreken van rechtmatig verblijf.
Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.