ECLI:NL:RVS:2022:1275
Raad van State
- Hoger beroep
- D.A. Verburg
- H.G. Sevenster
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting naar Algerije
De vreemdeling met de Algerijnse nationaliteit werd op 6 februari 2022 in vreemdelingenbewaring gesteld wegens het niet naleven van een terugkeerbesluit en het risico op ontduiking van toezicht. De rechtbank oordeelde dat er zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede vanwege gewijzigde omstandigheden zoals de aanstelling van een nieuwe consul en het heropenen van het luchtruim.
De vreemdeling stelde echter dat de toezeggingen van de Algerijnse autoriteiten onvoldoende concreet waren en dat er nog steeds geen laissez-passers (lp’s) werden verstrekt voor gedwongen terugkeer. De staatssecretaris bracht gewijzigde omstandigheden naar voren, waaronder presentaties van vreemdelingen bij de autoriteiten en een ‘note verbale’ met toezeggingen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat ondanks deze ontwikkelingen de toezeggingen onvoldoende concreet zijn en dat het ontbreken van daadwerkelijke lp-afgifte doorslaggevend is. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat er zicht op uitzetting was. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de bewaring opgeheven. Tevens werd een schadevergoeding toegekend aan de vreemdeling en de proceskosten aan de staatssecretaris opgelegd.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens ontbreken van zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn.