ECLI:NL:RVS:2022:1276
Raad van State
- Hoger beroep
- D.A. Verburg
- H.G. Sevenster
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring vreemdeling wegens ontbreken zicht op uitzetting naar Algerije
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de Algerijnse vreemdeling op 5 februari 2022 in bewaring omdat hij geen gevolg gaf aan het terugkeerbesluit van 6 juli 2020 en er risico bestond dat hij zich zou onttrekken aan toezicht. De rechtbank oordeelde dat er inmiddels zicht was op uitzetting naar Algerije, mede vanwege gewijzigde omstandigheden zoals een nieuwe consul en heropening van het luchtruim.
De vreemdeling stelde dat de toezeggingen van de Algerijnse autoriteiten onvoldoende waren en dat er nog steeds geen laissez-passer (lp) werden verstrekt, noodzakelijk voor gedwongen terugkeer. De staatssecretaris verwees naar diverse positieve ontwikkelingen, waaronder lp-aanvragen in behandeling en gesprekken met de Algerijnse ambassade.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat ondanks deze ontwikkelingen het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt omdat nog steeds geen lp’s voor gedwongen terugkeer worden verstrekt. De toezeggingen en nationaliteitsbevestigingen zijn onvoldoende concreet om het standpunt van de staatssecretaris te ondersteunen.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep gegrond, en bepaalde dat de bewaring met ingang van 4 mei 2022 wordt opgeheven. Tevens werd aan de vreemdeling een schadevergoeding toegekend en de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De bewaring van de Algerijnse vreemdeling wordt opgeheven wegens ontbreken van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn.