ECLI:NL:RVS:2024:4941
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam een asielaanvraag van een vreemdeling niet in behandeling op grond van de Dublinverordening. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte een nieuw toetsingskader voor de bewijslastverdeling had gehanteerd, in strijd met het interstatelijk vertrouwensbeginsel zoals bevestigd in eerdere uitspraken.
Verder oordeelde de Afdeling dat de minister voldoende had gemotiveerd waarom hij de asielaanvraag niet onverplicht aan zich had getrokken, en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die overdracht aan Polen onevenredig hard maakten.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard.