ECLI:NL:RVS:2025:2760
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid bewaring van Unieburger in het kader van verblijfsrecht en verwijderingsbesluit
Betrokkene, een Poolse Unieburger, werd in juni 2023 in bewaring gesteld door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van een verwijderingsbesluit en een asielaanvraag. De rechtbank oordeelde dat betrokkene zijn eerdere verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief had beëindigd door langdurig verblijf en werk in Polen, waardoor hij rechtmatig verblijf genoot en de bewaring onrechtmatig was.
De minister stelde hoger beroep in en voerde aan dat betrokkene mogelijk toch in Nederland verbleef tussen februari 2022 en april 2023, dat de banden met Nederland niet waren verbroken en dat de detentie en werk in Polen onvoldoende bewijs vormden. Ook betoogde de minister dat betrokkene zich niet had gemeld bij de autoriteiten, wat een meldingsplicht zou zijn.
De Afdeling verwierp deze griefs en bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Afdeling benadrukte dat de bewaring van een Unieburger die rechtmatig verblijf heeft, niet is toegestaan, ook niet tijdens een asielprocedure. Het arrest F.S. van het Hof van Justitie en de toepasselijke Europese richtlijnen werden uitgebreid besproken. De Afdeling veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten en bevestigde dat de bewaring van betrokkene vanaf het begin onrechtmatig was.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt dat de bewaring van betrokkene onrechtmatig was en wijst het hoger beroep van de minister af.