Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 6 april 2021 op het hoger beroep van:
Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM)
[naam 1] , te [plaats] ( [naam 1] )
Procesverloop in hoger beroep
Grondslag van het geschil
(ii) geen adequaat beleid gevoerd ter zake het voorkomen en beheersen van belangenconflicten;
(iii) haar bedrijfsvoering niet zodanig ingericht dat deze een beheerste en integere uitoefening van haar bedrijf waarborgde;
(iv) het provisieverbod overtreden;
(v) geen adequaat beleid gevoerd dat gericht was op het tegengaan van belangenverstrengeling; en
(vi) onvoldoende informatie ingewonnen over de financiële positie, doelstellingen, risicobereidheid en/of kennis en ervaring van haar cliënten.
Uitspraak van de rechtbank
(…)”
Heropeningsbeslissing
Bespreking van de beroepsgronden
)heeft AFM aangegeven dat zij verwachtte dat [naam 6] haar dienstverlening zou verbeteren en dat [naam 6] hiertoe een plan van aanpak zou overleggen, alsook dat, als zij in de toekomst op dit gebied wetsovertredingen constateert, de genoemde bevindingen nadrukkelijk meewegen bij eventuele vervolgstappen. In het plan van aanpak heeft [naam 6] vervolgens aangeven dat zij haar cliëntendossiers ultimo oktober 2014 – kort gezegd – op orde zou hebben. Bij deze stand van zaken verzette niets zich ertegen dat AFM in juni 2014 opnieuw een onderzoek instelde bij [naam 6] en zij haar eerdere onderzoeksbevindingen daarbij betrok, zoals zij ook heeft aangekondigd in haar brief van 17 januari 2014. Het College volgt [naam 1] niet in diens standpunt dat [naam 6] te weinig tijd zou hebben gehad om de maatregelen van het plan van aanpak te implementeren, reeds omdat zij zelf heeft aangeven dat zij de cliëntendossiers ultimo oktober 2014 op orde zou hebben en die periode ten tijde van het onderzoeksrapport (29 augustus 2016) al lang was verstreken. Dat het onderzoeksrapport overeenkomt met het concept-onderzoeksrapport dat was opgesteld in het kader van de intrekking van de vergunning van [naam 6] , betekent niet dat AFM het onderzoeksrapport niet ten grondslag mocht leggen aan het boetebesluit. Van strijd met de door [naam 1] aangevoerde beginselen is geen sprake.
p. 498-500) onder dagelijks beleid verstaan de beleids- en besluitvorming gericht op het dagelijkse daadwerkelijke uitoefenen van het bedrijf van de financiële onderneming en onder beleid de beleids- en besluitvorming gericht op de langetermijnstrategie van de financiële onderneming, alsook het bepalen van het dagelijks beleid van de financiële onderneming. Voorts blijkt uit die wetsgeschiedenis dat het niet alleen gaat om personen die formeel de positie van bestuurder bekleden, maar dat het ook gaat om personen die feitelijk substantiële invloed uitoefenen op het beleid of de besluitvorming gericht op de langetermijnstrategie van de financiële onderneming (vergelijk ook de uitspraak van het College van 29 september 2016, ECLI:NL:CBB:2016:306). Ook uit de door [naam 1] aangehaalde ‘Invulinstructie Vergunningaanvraag’ en de ‘Invulinstructie aanmelden en wijzigen (mede)beleidsbepalers’ van AFM volgt dat personen die formeel niet de positie van bestuurder bekleden maar feitelijk de dagelijkse leiding hebben, dagelijks beleidsbepaler zijn. Aangezien [naam 1] geen formele bestuurder was van [naam 6] , moet aan de hand van feiten en omstandigheden van het geval worden beoordeeld of hij een substantiële invloed uitoefende op het (dagelijks) beleid van [naam 6] en aldus als (dagelijks) beleidsbepaler moet worden aangemerkt. Met AFM is het College van oordeel dat daarvan sprake is. Meer in het bijzonder overweegt het College hiertoe als volgt.
,bij [naam 6] een risico bestond op belangenconflicten met betrekking tot de samenwerking met [naam 9] tussen enerzijds [naam 6] en [naam 1] en anderzijds de cliënten. Met AFM stelt het College vast dat [naam 6] gegevens met betrekking tot het verrichten van deze beleggingsdiensten niet heeft vastgelegd. [naam 1] heeft dit ook niet betwist. Het College deelt dan ook het standpunt van AFM dat [naam 6] haar bedrijfsvoering niet zodanig heeft ingericht dat deze een beheerste en integere uitoefening van het bedrijf waarborgt en dat zij daarmee artikel 4:14, eerste lid, van de Wft, gelezen in samenhang met de artikelen 35 en 35b van het BGfo heeft overtreden. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
-verantwoordelijkheden. [naam 1] wijst erop dat AFM hem ook op basis van haar eigen beleid zoals neergelegd in het Boetebeleid feitelijk leidinggevers niet had mogen aanmerken als feitelijke leidinggever. Volgens dit beleid dient aan de hand van de zogenoemde ‘Slavenburg-criteria’ te worden gemotiveerd waarom sprake is van feitelijk leidinggeven. De motivering van AFM schiet tekort. Anders dan AFM stelt was [naam 1] enkel in zijn rol als werknemer en aandeelhouder van [naam 6] op de hoogte van de door AFM geconstateerde gebreken uit het onderzoek in 2013. Van verboden gedragingen was toen geen sprake, althans [naam 1] was daarvan niet op de hoogte. Naast wat hij al heeft aangevoerd over het niet aanmelden als (dagelijks) beleidsbepaler, voert [naam 1] aan dat AFM niet heeft aangetoond dat hij bevoegd en redelijkerwijs gehouden was om de overtreding van artikel 4:11, eerste lid, van de Wft door [naam 6] te voorkomen of te beëindigen. Tot slot heeft AFM niet gemotiveerd dat [naam 1] geen enkele poging zou hebben gedaan om maatregelen te nemen om (alsnog) een adequaat beleid te voeren dat een integere uitoefening van [naam 6] waarborgde.
Beslissing
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van [naam 1] tegen het bestreden besluit ongegrond.
Bijlage wettelijk kader
Artikel 5:10a van de Awb
Artikel 5:20 van Pro de Awb
Wet op het financieel toezicht (Wft)
Artikel 4:9 van Pro de Wft
Artikel 4:10 van Pro de Wft
Artikel 4:11 van Pro de Wft (zoals dat luidde ten tijde van belang)
Artikel 4:14 van Pro de Wft (zoals dat luidde ten tijde van belang)
financiële onderneming of haar werknemers die het vertrouwen in de
financiële onderneming of in de financiële markten kunnen schaden;
onderneming of in de financiële markten kunnen schaden; en
werknemers die op een dusdanige wijze ingaan tegen hetgeen volgens
het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, dat
hierdoor het vertrouwen in de financiële onderneming of in de
financiële markten ernstig kan worden geschaad; en
deelnemers;
deelnemers;
deelnemers;
onderneming en cliënten of deelnemers en tussen de cliënten of
deelnemers onderling;
Artikel 4:23 van Pro de Wft (zoals dat luidde ten tijde van belang)
(…)