ECLI:NL:CRVB:2009:BK3116
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- R. Kooper
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Weigering bijstandsuitkering wegens ontbreken geldige verblijfstitel en beoordeling beroep
Appellante, afkomstig uit Ghana, vroeg op 22 september 2006 algemene bijstand aan op grond van de WWB. Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag op 23 november 2006 af omdat zij niet beschikte over een geldige verblijfstitel. Appellante stelde beroep in tegen het uitblijven van een beslissing op haar bezwaar tegen dit besluit. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding, omdat het College aannemelijk had gemaakt dat het besluit op 23 februari 2007 was verzonden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het College onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het besluit daadwerkelijk was verzonden naar het juiste adres. Hierdoor was het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en werd de zaak door de Raad zelf inhoudelijk behandeld. Appellante viel onder het sluitstuk van de koppelingsregeling en kon zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen geen bijstand krijgen.
De Raad stelde vast dat de weigering van bijstand niet leidde tot een schending van het recht op privé- en gezinsleven zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro, mede omdat de ondertoezichtstelling en omgangsregeling van de kinderen niet uitsluitend op het ontbreken van inkomen en woonruimte waren gebaseerd. De Raad verklaarde het beroep ongegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde het College tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van bijstand wordt ontvankelijk verklaard maar inhoudelijk ongegrond; het College wordt veroordeeld in proceskosten.