ECLI:NL:CRVB:2014:4380
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde kasstortingen
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na een onderzoek naar kasstortingen op hun bankrekening, die zij niet hadden gemeld, besloot het college de bijstand vanaf 9 juli 2010 in te trekken en de te veel ontvangen bedragen terug te vorderen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten gegrond en beperkte de intrekking tot de periode vanaf 10 januari 2011.
Het college nam daarop nieuwe besluiten die de intrekking en terugvordering voor de periode vanaf 10 januari 2011 handhaafden. Appellanten gingen in hoger beroep tegen deze besluiten en stelden dat de kasstortingen leningen waren die zij moesten terugbetalen en dat zij de herkomst voldoende hadden verklaard.
De Raad oordeelde dat kasstortingen in beginsel als inkomen moeten worden beschouwd en dat het niet melden hiervan een schending van de inlichtingenverplichting vormt. Echter, het college had onvoldoende feiten om aan te nemen dat appellanten meer inkomsten hadden dan de genoemde bedragen, waardoor het recht op bijstand wel kon worden vastgesteld. Daarom vernietigde de Raad de eerdere uitspraken en besluiten en gaf het college opdracht nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van de uitspraak.
Daarnaast werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellanten en werd het griffierecht vergoed. De Raad zag af van toepassing van de bestuurlijke lus omdat het slechts om een financiële uitwerking ging.
Uitkomst: De Raad vernietigt eerdere uitspraken en besluiten en draagt het college op nieuwe besluiten te nemen over intrekking en terugvordering van bijstand met inachtneming van de uitspraak.