ECLI:NL:CRVB:2016:1864
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet gemelde op geld waardeerbare werkzaamheden
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) vanaf juni 2012. Na een melding van haar ex-echtgenoot startte de gemeente een onderzoek naar mogelijke zwartwerkzaamheden. Het college van burgemeester en wethouders trok de bijstand in en vorderde de kosten terug wegens het niet melden van een bankrekening, meerdere oldtimer Mercedessen, een bedrijfsauto en werkzaamheden voor een familiebedrijf.
De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond en beperkte de intrekking tot de periode vanaf 22 maart 2013, omdat vanaf die datum voldoende feitelijke grondslag bestond voor op geld waardeerbare werkzaamheden. Appellante ging in hoger beroep tegen deze beslissing en stelde dat het slechts om vriendendiensten ging en dat terugvordering onredelijk was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de werkzaamheden, waaronder het opnemen van de telefoon, het ophalen en registreren van auto's en het verstrekken van informatie aan potentiële kopers, verder gingen dan vriendendiensten en dat de ondernemingen van de familie als één onderneming moesten worden beschouwd. Appellante had haar inlichtingenplicht geschonden door deze activiteiten niet te melden. Zij slaagde er niet in aannemelijk te maken dat terugvordering onredelijk was vanwege dringende redenen.
De Raad bevestigde daarom de intrekking van de bijstand en de terugvordering over de periode van 22 maart 2013 tot en met 30 september 2013 en verklaarde het beroep tegen het nader besluit ongegrond.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en terugvordering over de periode vanaf 22 maart 2013 worden bevestigd.