ECLI:NL:CRVB:2017:2086
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen werkzaamheden in supermarkt
Appellante ontving bijstand sinds 2007 en werd na een anonieme melding onderzocht wegens verzwegen werkzaamheden in een supermarkt. Het dagelijks bestuur trok de bijstand over de periode 1 mei 2013 tot 31 december 2013 in en vorderde €9.364,40 terug. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat zij slechts als vriendendienst had geholpen en geen op geld waardeerbare arbeid had verricht. De Raad oordeelde dat de werkzaamheden wel degelijk op geld waardeerbaar waren en dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden. Echter kon het recht op bijstand over enkele perioden schattenderwijs worden vastgesteld, wat het dagelijks bestuur naliet.
De Raad vernietigde het bestreden besluit voor de periodes 1 mei 2013 tot 17 augustus 2013 en 7 oktober 2013 tot 16 december 2013 wegens strijd met de Awb. Voor de perioden 17 augustus tot 6 oktober 2013 en 17 tot 31 december 2013 ontbrak een feitelijke grondslag voor intrekking. Dringende redenen om van terugvordering af te zien werden niet aangenomen. Het dagelijks bestuur werd opgedragen een nieuw besluit te nemen en in de kosten veroordeeld.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt deels vernietigd en het dagelijks bestuur wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.