Appellant ontving bijstand en huurde een woning waar op 23 juni 2014 een hennepkwekerij werd aangetroffen. Het college herzag de bijstand en legde een boete op wegens het niet melden van de hennepkwekerij. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep betwistte appellant de exploitatie van de kwekerij en stelde dat een vriend de kwekerij had opgezet. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs leverde en dat het vermoeden van exploitatie niet was ontzenuwd. De schending van de inlichtingenverplichting was daarmee vastgesteld.
De Raad bevestigde dat het bewijsvermoeden toelaatbaar is en dat appellant zich had kunnen verweren. De boete werd echter gematigd van €1.629,92 naar €1.190,54 vanwege de beperkte draagkracht van appellant. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het college werd veroordeeld in de proceskosten.