ECLI:NL:CRVB:2017:4139
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na tweedejaarsbeoordeling bevestigd door Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als pijpfitter, meldde zich ziek na een bedrijfsongeval waarbij hij zijn onderbeen brak. Het UWV kende hem een Ziektewetuitkering toe. Na een tweedejaarsbeoordeling in 2015 werd vastgesteld dat appellant met beperkingen nog 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen, waarop het recht op uitkering werd voortgezet. Werkgever maakte bezwaar, waarna het UWV het besluit herzag en de uitkering per 24 augustus 2015 beëindigde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beëindiging ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de medische en arbeidskundige beoordeling standhielden. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de juiste maatstaf arbeid niet was gehanteerd, zijn beperkingen werden onderschat en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de maatstaf arbeid conform artikel 19aa ZW correct was toegepast en dat de medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende inzichtelijk en gemotiveerd was. Het rapport van de orthopeed bracht geen nieuwe beperkingen aan het licht die de eerdere beoordeling ondermijnden. De Raad vond geen aanleiding tot benoeming van een onafhankelijke deskundige, mede omdat beide partijen ruime medische informatie hadden aangeleverd.
De Raad bevestigde dat appellant medisch geschikt werd geacht voor de functies waarop de arbeidsdeskundige zijn verdiencapaciteit baseerde, waaronder ook autorijden. De stelling dat de functie chauffeur personenbusje ongeschikt zou zijn, werd verworpen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Ziektewetuitkering terecht is beëindigd omdat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen.