ECLI:NL:CRVB:2018:2249
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens onvoldoende procesbelang bij aanvraag bijzondere bijstand griffierecht
Appellant diende een aanvraag in voor bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht in een hoger beroepsprocedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het Drechtstedenbestuur wees deze aanvraag af omdat de kosten niet noodzakelijk waren. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de griffierechtkosten wel noodzakelijk waren. De Raad voor de Rechtspraak onderzocht echter ambtshalve of appellant voldoende procesbelang had. Volgens vaste rechtspraak is procesbelang vereist om een procedure te kunnen voeren; een louter principieel belang is onvoldoende.
Appellant gaf aan dat hij geen bijzondere bijstand meer wilde voor de griffierechtkosten en slechts een principe-uitspraak wenste dat het college dergelijke zaken niet mag laten liggen. De Raad oordeelde dat deze wens geen voldoende procesbelang vormt, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard.
Er werden geen proceskosten aan appellant opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 24 juli 2018.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende procesbelang.