ECLI:NL:CRVB:2018:326
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking bijstand en bestuurlijke boete wegens schending inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand op basis van inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie, maar een onderzoek wees uit dat zij sinds 2012 feitelijk elders woonde. Het college trok de bijstand in en vorderde de kosten terug. Tevens legde het college een bestuurlijke boete op wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank oordeelde deels in het voordeel van het college, maar vernietigde het boetebesluit voor een deel. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat appellante terecht geen recht had op bijstand omdat zij niet op het uitkeringsadres woonde. De verklaring van appellante en getuigenverklaringen ondersteunden dit.
De Raad oordeelde dat het college de boete terecht oplegde, ook al was het besluit tot intrekking nog niet onherroepelijk. De boete werd gematigd tot €5.400, conform de wettelijke maxima en rekening houdend met gewone verwijtbaarheid. Een verzoek tot verdere matiging wegens financiële omstandigheden werd afgewezen wegens gebrek aan inzicht in actuele financiële gegevens.
De Raad vernietigde het bestreden boetebesluit en stelde het boetebedrag definitief vast. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellante. De uitspraak bevestigt de noodzaak van correcte woonplaatsregistratie en naleving van inlichtingenplicht bij sociale zekerheidsuitkeringen.
Uitkomst: Intrekking en terugvordering bijstand bevestigd, bestuurlijke boete gematigd tot €5.400.