ECLI:NL:CRVB:2019:606
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidskundige grondslag in geschil over arbeidsongeschiktheid WIA
Werkneemster was sinds november 2013 ziek gemeld en onderzocht op grond van de Wet WIA. De verzekeringsarts stelde beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van september 2015. De arbeidsdeskundige kon geen passende functies duiden op basis van deze FML. Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 36,47% en weigerde bezwaar.
Appellante, werkgever, voerde in bezwaar en beroep aan dat de arbeidskundige grondslag onvoldoende gemotiveerd was en dat er sprake was van wapenongelijkheid omdat niet alle functiemogelijkheden uit het CBBS beschikbaar waren. Ook stelde zij dat de arbeidsdeskundige te strikt was in de toetsing van de FML en dat het opleidingsniveau van werkneemster onduidelijk was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV de belastbaarheid zorgvuldig had vastgesteld en gemotiveerd. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad stelt dat de werkgever voldoende gelegenheid heeft gehad om de arbeidskundige grondslag te betwisten en dat het CBBS als hulpmiddel rechtens aanvaardbaar is. De arbeidsdeskundige heeft de FML correct toegepast en het opleidingsniveau juist vastgesteld.
Het hoger beroep slaagt niet en de uitspraak wordt bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.