ECLI:NL:CRVB:2021:1960
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van arbeidsongeschiktheid en weigering WIA-uitkering na ziekte
Appellante was assistent-optometrist en meldde zich ziek met diverse lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor haar WIA-uitkering werd geweigerd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep een bijzondere waarde hebben en dat het UWV zorgvuldig heeft gehandeld.
Appellante stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte aan deze rapporten bijzondere waarde toekende en dat onvoldoende rekening was gehouden met haar aandoeningen zoals fibromyalgie, PTSS en ADHD. Tevens verzocht zij om benoeming van een onafhankelijk deskundige op grond van het arrest Korošec. De Raad oordeelde dat de zorgvuldigheid van het UWV-onderzoek was gewaarborgd en dat appellante voldoende gelegenheid had gehad om medische stukken in te brengen, waardoor geen sprake was van een ongelijkwaardige procespositie.
De Raad sloot zich aan bij de rechtbank dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) adequaat waren vastgesteld en dat de geselecteerde functies geschikt waren voor appellante. Ook de stelling dat zij een medische afzakker was, werd verworpen wegens gebrek aan medische onderbouwing. Het beroep op het eigendomsrecht uit het EVRM werd eveneens afgewezen. Het verzoek tot heropening van het onderzoek werd niet gehonoreerd. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV tot weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.