Appellante ontving bijstand vanaf september 2011 en meldde niet dat zij vanaf augustus 2014 een gezamenlijke huishouding voerde met X. Naar aanleiding van anonieme tips voerde de gemeente Zoetermeer een onderzoek uit, met waarnemingen, dossieronderzoek en getuigenverklaringen. De Raad concludeerde dat appellante en X beiden hun hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres en er sprake was van wederzijdse zorg, waardoor zij een gezamenlijke huishouding voerden.
Het college trok de bijstand met ingang van 1 augustus 2014 in en vorderde € 35.549,52 terug. Tevens legde het college een boete op van € 942,50 wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank wees de beroepen af. In hoger beroep bevestigde de Raad de intrekking en terugvordering, omdat appellante geen dringende redenen aannemelijk had gemaakt om hiervan af te zien.
Wel matigde de Raad de boete op grond van de draagkracht van appellante en de gewijzigde beslagvrije voet van 95% van de bijstandsnorm, waardoor de boete werd vastgesteld op € 645,26. De Raad veroordeelde het college tevens in de proceskosten van appellante.