Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet. Het college stelde dat zij een gezamenlijke huishouding voerden en dat zij vanaf 20 november 2020 recht hadden op bijstand naar de norm voor gehuwden, met terugvordering van teveel betaalde bijstand. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Raad dat appellanten recht hadden op bijstand over de periode 1 tot en met 19 november 2020, omdat het niet overleggen van bankafschriften geen grond is voor weigering. Tevens is vastgesteld dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden, waardoor zij geen recht hadden op bijstand als alleenstaanden.
Verder heeft het college de bijschrijvingen van Z op de bankrekening van appellante terecht als inkomen aangemerkt en in mindering gebracht op de bijstand. Wel heeft het college nagelaten een belangenafweging te maken bij de terugvordering van € 1.758,99, wat strijdig is met het evenredigheidsbeginsel. Daarom vernietigt de Raad het besluit tot weigering en terugvordering voor genoemde perioden en draagt het college op een nieuw besluit te nemen met een zorgvuldige belangenafweging.
Appellanten krijgen een vergoeding van € 2.868,- voor gemaakte proceskosten en het betaalde griffierecht wordt terugbetaald. De Raad bepaalt dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Raad kan worden ingesteld.