ECLI:NL:CRVB:2026:176

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
23/2414 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 PWArt. 17 PWArt. 58 PWArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen intrekking en terugvordering AIO wegens niet gemelde landbouwgrond in buitenland

Appellanten ontvingen vanaf 2007 een aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO). De Sociale Verzekeringsbank (Svb) trok deze AIO in en vorderde terugbetaling wegens het niet melden van landbouwgrond in Turkije, die op naam van appellant stond geregistreerd. Appellanten betwistten het eigendom en de taxatiewaarde van de grond en voerden dringende redenen aan tegen terugvordering.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het hoger beroep slaagt. De Raad volgt de Svb in dat het recht op AIO kan worden vastgesteld op nihil vanwege de waarde van de grond, en dat de terugvordering te hoog was vastgesteld. De Raad matigt de terugvordering tot €62.020,-, het bedrag waarmee de vermogensgrens werd overschreden.

De Raad verwerpt de stelling dat de grond niet van appellant was en bevestigt de betrouwbaarheid van het taxatierapport. Ook acht de Raad geen dringende redenen aanwezig om van terugvordering af te zien, ondanks de hoge leeftijd en gezondheid van appellant. De Svb wordt veroordeeld in de proceskosten en moet het griffierecht vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de terugvordering gematigd tot €62.020,- en het bestreden besluit vernietigd voor zover het de terugvordering betreft.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
23/2414 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 juli 2023, 22/4119 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats 1] (Turkije) (appellant) en de erven van [betrokkene] , in leven laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats 2] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 17 februari 2026

SAMENVATTING

In deze zaak gaat het om de intrekking en terugvordering van de aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO) van appellanten over een periode van bijna dertien jaar. De Svb heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellanten niet hebben gemeld dat appellant landbouwgrond in Turkije had en dat daarom het recht op AIO van appellanten niet kan worden vastgesteld. Volgens appellanten is niet appellant eigenaar van de landbouwgrond, maar hun – inmiddels overleden – zoon en is de taxatie van de landbouwgrond onjuist. Ook vinden zij dat zich dringende redenen voordoen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. De Raad volgt appellanten hierin niet. De Raad volgt de Svb wel in zijn nader ingenomen standpunt dat het recht op AIO kan worden vastgesteld, namelijk op nihil. De Raad oordeelt daarom dat de intrekking niet deugdelijk is gemotiveerd, maar dat dit gebrek kan worden gepasseerd. Toch slaagt het hoger beroep en wordt de aangevallen uitspraak vernietigd. De Svb heeft zich namelijk nader op het standpunt gesteld dat het terugvorderingsbedrag te hoog is vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A. Dinç, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.
Voorafgaand aan het onderzoek ter zitting heeft de Raad kennisgenomen van het overlijden van appellante.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 december 2025. Voor appellanten is mr. Dinç verschenen. Ook was aanwezig [naam zoon] , zoon van appellanten. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C. van der Voorn.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontvangt sinds 1 januari 1998 een onvolledig ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) naar de norm voor een gehuwde. Appellante, zijn echtgenote, ontving sinds 1 juni 2003 een onvolledig ouderdomspensioen op grond van de AOW naar die norm. In aanvulling op dit pensioen ontvingen appellanten sinds 1 januari 2007 van de Svb bijstand op grond van de Participatiewet (PW), in de vorm van een AIO. De AIO is een aantal keren onderbroken, onder meer omdat appellant en/of appellante langer in Turkije hadden verbleven dan was toegestaan.
1.2.
In het kader van een project dat betrekking heeft op onderzoek naar de rechtmatigheid van verstrekte AIO heeft een toezichthouder van de afdeling Handhaving van de Svb een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende AIO. De toezichthouder heeft onder meer dossieronderzoek gedaan en het Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse ambassade in Ankara ( Bureau Sociale Zaken ) gevraagd onderzoek te doen naar eventueel vermogen van appellanten in Turkije. Uit het onderzoek van het Bureau Sociale Zaken is gebleken dat appellant bij de afdeling onroerendgoedbelasting van de gemeente [naam gemeente] is geregistreerd. Het Bureau Sociale Zaken heeft de Svb geadviseerd om appellant te vragen om een machtiging te verstrekken waarmee het Bureau Attaché toestemming wordt verleend om bij het kadaster en/of bij de afdeling onroerend goed belasting van de gemeente [naam gemeente] te vragen of op naam van appellant onroerend goed geregistreerd staat en om hierover schriftelijk informatie te verstrekken als dat het geval is (machtiging). De bevindingen van het (vermogens)onderzoek zijn neergelegd in een handhavingsrapport van 5 juni 2019.
1.3.
De Svb heeft appellant verzocht de machtiging te verstrekken. Omdat hij daaraan geen gevolg gaf, heeft de Svb de AIO van appellanten, na opschorting, met een besluit van 23 februari 2020 met ingang van 23 december 2019 ingetrokken. Tegen dit besluit hebben appellanten geen bezwaar gemaakt.
1.4.
Nadat de Svb appellant nogmaals een aantal malen had verzocht de voor het verrichten van kadasteronderzoek vereiste machtiging af te geven, heeft appellant deze alsnog in mei 2020 verstrekt. Het Bureau Sociale Zaken heeft vervolgens op basis van deze machtiging kadastraal onderzoek gedaan naar het vermogen van appellant in Turkije. De bevindingen van het onderzoek van het Bureau Sociale Zaken staan in een rapport van 29 maart 2021. In dat rapport staat, voor zover hier relevant, dat op 9 maart 2021 op naam van appellant een stuk landbouwgrond van 3.937 m² in de wijk [wijk] in [naam gemeente] (landbouwgrond) is geregistreerd, dat appellant de landbouwgrond op 16 juni 2004 heeft verworven en dat hij de volle eigendom van de landbouwgrond heeft. In het rapport staat verder dat het Bureau Sociale Zaken een erkend taxateur heeft ingeschakeld om de landbouwgrond te taxeren. De taxateur die de taxatie heeft uitgevoerd heeft op 17 maart 2021 rapport uitgebracht (taxatierapport). In het taxatierapport is de waarde van de landbouwgrond getaxeerd op 600.000 Turkse Lira, omgerekend € 67.265,- .
1.5.
Op basis van de bevindingen van het Bureau Sociale Zaken heeft de Svb met een besluit van 30 april 2021 (besluit 1) de AIO van appellanten vanaf 1 januari 2007 ingetrokken. Met een afzonderlijk besluit van 30 april 2021 (besluit 2) heeft de Svb de over de periode van 1 januari 2007 tot en met 22 december 2019 gemaakte kosten van AIO tot een bedrag van € 75.376,44 van appellanten teruggevorderd.
1.6.
Met een besluit van 4 juli 2022 (bestreden besluit) heeft de Svb de bezwaren van appellanten tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. De Svb heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door de Svb niet te melden dat appellant vanaf 1 januari 2007 de landbouwgrond in zijn bezit had. Omdat de Svb geen gegevens van appellanten heeft ontvangen over de waarde van de landbouwgrond in de periode van 1 januari 2007 tot en met 22 december 2019 is het vermogen over deze periode onbekend en kan het recht op AIO over die periode niet worden vastgesteld.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
Hiertoe heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen, waarbij voor eisers appellanten moet worden gelezen en voor verweerder het college:
“Het is vaste rechtspraak dat als onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op iemands naam geregistreerd staan verweerder ervan uit mag gaan dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover deze persoon daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dit is alleen anders als iemand het tegendeel aannemelijk maakt. [1] Hier zijn eisers niet in geslaagd. Eisers hebben immers hun standpunt zowel in bezwaar als in beroep niet onderbouwd, terwijl eisers [...] in deze situatie de bewijslast dragen. Voor zover het eisers niet is gelukt om stukken ter onderbouwing van hun standpunt te krijgen, is dit een omstandigheid die voor hun rekening komt.”
2.2.
Ook heeft de rechtbank overwogen:
“Uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Centrale Raad) volgt dat het enkele feit dat een taxatie niet door een erkend taxateur is verricht op zichzelf onvoldoende is voor de conclusie dat een taxatierapport niet betrouwbaar is. [2] De omstandigheid dat in dit geval niet duidelijk is of de taxatie is verricht door een beëdigd taxateur is dus op zichzelf ook onvoldoende voor de conclusie dat verweerder het taxatierapport niet aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen. Eisers hebben niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat het taxatierapport ondeugdelijk zou zijn.”
Het standpunt van appellanten
3. Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de intrekking en terugvordering van AIO in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. De intrekking blijft in stand en de terugvordering wordt verminderd tot € 62.020,-. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Intrekking
4.1.
Het bestreden besluit wordt getoetst voor de periode van 1 januari 2007, de datum met ingang waarvan de AIO is ingetrokken, tot en met 22 december 2019, de datum tot wanneer appellanten de AIO ontvingen (te beoordelen periode).
Beschikkingsmacht landbouwgrond
4.2.
Appellanten hebben net als in beroep aangevoerd dat de landbouwgrond niet van appellant was, maar van hun – inmiddels overleden – zoon. De landbouwgrond stond enkel uit voorzorg op naam van appellant, omdat zijn zoon impulsief was en de grond zou kunnen verkopen. Op deze manier kon de grond voor de kleinkinderen worden veiliggesteld. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.2.1.
Wat appellanten aanvoeren is een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom dat niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. Appellanten hebben in hoger beroep geen reden gegeven waarom die uitleg volgens hen onjuist of onvolledig is. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, zoals weergegeven onder 2.1, en neemt deze overwegingen over. Hij voegt daaraan nog toe dat appellanten ook in hoger beroep geen enkel gegeven hebben overgelegd waaruit blijkt dat hun zoon in de te beoordelen periode eigenaar was van de landbouwgrond.
Taxatie
4.3.
Appellanten hebben aangevoerd dat aan het taxatierapport geen waarde kan worden gehecht. De waarde van de landbouwgrond is in het taxatierapport te hoog vastgesteld en het rapport is niet door een beëdigd taxateur opgesteld. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.4.
Ook op dit punt is wat appellanten aanvoeren een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom dat niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. Appellanten hebben in hoger beroep geen reden gegeven waarom die uitleg volgens hen onjuist of onvolledig is. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, zoals weergegeven onder 2.2, en neemt deze overwegingen over. Hij voegt daaraan nog het volgende toe.
4.4.1.
Een medewerker van het Bureau Sociale Zaken heeft in een nader stuk toegelicht dat het Bureau Sociale Zaken uitsluitend werkt met een door de Turkse regering erkende taxateur en dat ook in dit geval de waardebepaling van de landbouwgrond door een erkend taxateur is verricht. Om veiligheidsredenen zijn de taxatierapporten van deze taxateur door het Bureau Sociale Zaken geanonimiseerd. Het Bureau Sociale Zaken bewaart het originele taxatierapport met de naam, handtekening en het licentienummer van de taxateur in zijn archief. Appellanten hebben geen aanknopingspunten geboden om aan de door het Bureau Sociale Zaken gegeven lezing te twijfelen.
4.4.2.
Het taxatierapport is deugdelijk opgesteld. De taxateur heeft onderzoek gedaan naar de landbouwgrond en de waarde bepaald aan de hand van de eigenschappen daarvan, waaronder de bestemming, kenmerken van de grond, de bereikbaarheid en de oppervlakte in combinatie met de verkoopprijzen van nabijgelegen percelen. Appellanten hebben weliswaar gesteld dat de waarde te hoog is vastgesteld, maar geen argumenten aangevoerd of gegevens overgelegd die de conclusies van het taxatierapport weerleggen. Appellanten hebben daarmee niet aannemelijk gemaakt dat het taxatierapport inhoudelijk niet deugdelijk is.
Nader standpunt Svb over het vaststellen van het recht op bijstand
4.5.
De Svb heeft zich op de zitting nader op het standpunt gesteld dat, anders dan in het bestreden besluit staat, het recht op AIO-aanvulling over de te beoordelen periode wel kan worden vastgesteld. Het bestreden besluit is daarom in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd. Dit motiveringsgebrek kan echter met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht worden gepasseerd, omdat niet aannemelijk is dat appellanten daardoor zijn benadeeld. De Svb heeft zich op de zitting namelijk terecht op het standpunt gesteld dat de waarde van de landbouwgrond in de gehele te beoordelen periode de voor appellanten geldende vermogensgrens overschreed en dat appellanten daarom geen recht op de AIOaanvulling hadden. Dit wordt hierna toegelicht.
4.5.1.
De waarde van onroerende zaken in de te beoordelen periode kan schattenderwijs worden vastgesteld als aan het eind van of na deze periode een betrouwbare waardebepaling heeft plaatsgevonden, bijvoorbeeld in de vorm van een taxatie. In dat geval kan van die waarde voor de hele periode worden uitgegaan, omdat – kort gezegd – de waarde van onroerende zaken in het algemeen stijgt en de resterende onzekerheid voor rekening van de betrokkene mag worden gelaten. Dit volgt uit eerdere rechtspraak. [3] Deze situatie doet zich hier voor. Gelet op de hoogte van de getaxeerde waarde van de landbouwgrond hadden appellanten gedurende de gehele te beoordelen periode geen recht op bijstand.
De terugvordering
4.6.
De Svb heeft zich op de zitting ook nader op het standpunt gesteld dat het bedrag van de in besluit 2 genoemde terugvordering te hoog is vastgesteld en met inachtneming van rechtspraak van de Raad [4] moet worden gematigd tot € 62.020,-, zijnde het bedrag waarmee de vermogensgrens in de te beoordelen periode is overschreden. Appellanten hebben de hoogte van dat bedrag niet betwist.
4.7.
Appellanten hebben als enige beroepsgrond over de terugvordering aangevoerd dat er dringende redenen zijn op grond waarvan de Svb geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien. Daartoe hebben zij naar voren gebracht dat appellant een hoge leeftijd en een slechte gezondheid heeft en in de laatste jaren van zijn leven onredelijk wordt geconfronteerd met een grote terugvordering. Hij heeft geen financiële middelen om die grote terugvordering te kunnen aflossen. Verder had de Svb eerder onderzoek kunnen doen, aangezien bekend was dat appellant vaak en langdurig naar Turkije ging. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.7.1.
De Svb is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de PW. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de PW.
4.7.2.
Zoals de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 [5] tot uitdrukking heeft gebracht moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
4.7.3.
De Svb heeft wat appellanten hebben aangevoerd bij afweging van de betrokken belangen niet hoeven aan te merken als dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het besluit om niet van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. De terugvordering is ontstaan doordat appellanten de Svb niet hebben gemeld dat appellant eigenaar was van de landbouwgrond.
4.7.4.
Het enkele feit dat de Svb al geruime tijd op de hoogte was van het feit dat appellanten herhaaldelijk langer in Turkije hadden verbleven dan was toegestaan, maakt niet dat de Svb eerder onderzoek had moeten instellen naar mogelijk bezit van onroerende zaken van appellanten in Turkije. De Svb beschikte namelijk niet over signalen dat dit het geval was. Integendeel, appellant heeft op 9 maart 2015 de vraag “Bezit u of bezit u samen met anderen een stuk grond (perceel) of een woning buiten Nederland […]” op het formulier van de Svb ‘verblijf en vermogen buiten Nederland’ ontkennend beantwoord en dat formulier ondertekend. Ook de duur van het onderzoek is, gelet op de omvang ervan, niet zodanig geweest dat hierdoor de vordering onnodig is opgelopen.
4.7.5.
Het gaat in het geval van appellanten om een terugvordering van een hoog bedrag. Maar dat leidt op zichzelf nog niet tot de conclusie dat bij afweging van de betrokken belangen dringende redenen moeten worden aangenomen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. De hoogte van de terugvordering houdt immers verband met de lange duur van de periode waarover appellanten de inlichtingenverplichting niet zijn nagekomen.
4.7.6.
Daargelaten dat de hoge leeftijd en gezondheidssituatie van appellant niet het gevolg zijn van de terugvordering is van belang dat appellant bij de invordering wordt beschermd door de beslagvrije voet. Verder heeft de Svb op de zitting verklaard dat de Svb over het algemeen niet overgaat tot een uithuiszetting om de terugbetaling van de vordering te effectueren in een situatie zoals die van appellant.

Conclusie en gevolgen

4.8.
Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Raad zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover het ziet op de hoogte van de terugvordering. Ook zal de Raad zelf in de zaak voorzien door het besluit van 30 april 2021 in zoverre te herroepen en het bedrag van de terugvordering vast te stellen op € 62.020,-.
5. Omdat het hoger beroep slaagt, krijgen appellanten een vergoeding van de kosten voor verleende rechtsbijstand in bezwaar, beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.332,- in bezwaar (1 punt voor de indiening van het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting, € 666,- per punt) en € 3.736,- in beroep (2 punten voor de indiening van het beroepschrift en hogerberoepschrift en 2 punten voor de zittingen, € 934,- per punt), in totaal dus € 5.068,-. Daarnaast dient de Svb het door appellanten betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit, voor zover het ziet op de hoogte van de terugvordering;
  • herroept het besluit van 30 april 2021 in zoverre, stelt het bedrag van de terugvordering vast op een bedrag van € 62.020,- en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
  • veroordeelt de Svb in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 5.068,-;
  • bepaalt dat de Svb aan appellanten het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 186,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en C.F.E. van Olden-Smit en A. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2026.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) J. Bonnema

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Participatiewet
Artikel 17. Inlichtingenplicht
1. De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
[…]
Artikel 54. Onjuiste gegevens en onvoldoende medewerking[…]
3. Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. […]

Artikel 58. Terugvordering

1. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
[…]
8. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:22
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van 30 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:844.
2.Zie de uitspraak van 31 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2317.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 13 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2745 en ECLI:NL:CRVB:2022:2794.
4.Uitspraak van de Raad van 13 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2794.