ECLI:NL:CRVB:2026:488
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vaststelling WIA-dagloon ondanks coronamaatregelen
Appellant betwistte de vaststelling van zijn WIA-dagloon door het UWV, omdat de gehanteerde referteperiode tijdens de coronapandemie minder loon bevatte dan gebruikelijk door minder gewerkte uren. Hij stelde dat het dagloon op basis van een representatieve periode vóór de coronamaatregelen had moeten worden berekend en dat het SV-loon niet overeenkwam met zijn netto loon op loonstroken.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd bevestigd dat de referteperiode wettelijk is vastgesteld en niet kan worden aangepast. Het UWV paste later het dagloon aan door loonloze perioden buiten beschouwing te laten, maar appellant bleef het oneens met de berekening.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het eerste besluit van het UWV, maar verklaarde het beroep tegen het gewijzigde besluit ongegrond. De Raad oordeelde dat de wettelijke regels dwingend zijn en dat het historisch genoten loon bepalend is, ongeacht de oorzaak van loonvermindering. Ook het argument over het aantal werkelijk gewerkte dagen faalde, omdat alle doordeweekse dagen als dagloondagen gelden.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht, maar wees een verzoek tot vergoeding van kosten voor een brief van een administratie af omdat deze niet relevant was voor het geschil.
Uitkomst: Het UWV heeft het WIA-dagloon terecht vastgesteld op € 52,07 ondanks de coronamaatregelen; het beroep tegen het eerste besluit is gegrond, tegen het tweede ongegrond.