Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:546

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
23/1278 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 PWArt. 54 PWArt. 58 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending inlichtingenverplichting over vermogen in het buitenland

Appellanten ontvingen sinds 2015 bijstand op grond van de Participatiewet. Het college ontdekte via onderzoek dat zij niet hadden gemeld dat zij beschikten over vermogen in Turkije, opbrengsten uit de verkoop van ondernemingen en campers, een lening aan een derde, en werkzaamheden die appellant had verricht. Hierdoor werd het recht op bijstand niet correct vastgesteld.

Het college blokkeerde in 2021 de bijstand en trok deze later in over de periode van 2015 tot 2021, met terugvordering van €110.189,24. Appellanten voerden aan dat de terugvordering te hoog was en dat er dringende redenen waren om deze te matigen, onder meer vanwege medische klachten en beslaglegging.

De Raad oordeelde dat het niet relevant is of het om een klein of groot aantal schendingen gaat; het gaat erom dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld door de schendingen. Het bezit van een zomerhuisje in Turkije, dat niet was gemeld, was voldoende om de intrekking te rechtvaardigen. De waarde van het huisje kon niet worden vastgesteld aan de hand van de ozb-waarde, omdat deze niet overeenkomt met de verkoopwaarde.

De Raad vond dat het college de terugvordering terecht heeft ingesteld en dat de aangevoerde dringende redenen niet opwegen tegen de schendingen. De medische klachten waren niet gerelateerd aan de terugvordering en de beslagvrije voet biedt bescherming tegen onredelijke financiële gevolgen. De hoger beroepen werden afgewezen en de intrekking en terugvordering bleven in stand.

Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemeld vermogen en inkomsten blijven in stand.

Uitspraak

23/1278 PW, 23/3134 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 17 maart 2023, 22/3464 (aangevallen uitspraak 1), en van 6 oktober 2023, 23/1405 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland (college)
Datum uitspraak: 4 mei 2026

SAMENVATTING

Deze zaken gaan over de intrekking en terugvordering van bijstand. Het college is daartoe overgegaan omdat appellanten niet hebben gemeld dat zij konden beschikken over vermogen in de vorm van onroerende zaken in Turkije, tegoeden op bankrekeningen in Turkije, de opbrengst van de verkoop van twee ondernemingen, de opbrengsten van de verkoop van twee campers en een uitstaande lening. Ook hebben zij niet gemeld dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Appellanten erkennen dat zij op meerdere punten hun inlichtingenverplichting hebben geschonden. De kern van de hoger beroepen is dat de terugvordering te hoog is. Appellanten krijgen daarin geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. H.L. Thiescheffer, advocaat, hoger beroepen ingesteld. Het college heeft verweerschriften ingediend.
De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 24 maart 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Thiescheffer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Rozema.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellanten ontvingen sinds 24 augustus 2015 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor gehuwden.
1.2.
Naar aanleiding van een melding dat appellant werkzaamheden verricht en vastgoed in het buitenland bezit, hebben sociaal rechercheurs in dienst van de gemeente Leeuwarden een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. De sociaal rechercheurs hebben onder meer dossieronderzoek verricht, gegevens opgevraagd, de woning van appellanten doorzocht, getuigen gehoord en appellanten verhoord. De bevindingen van het onderzoek staan in een rapport van 17 maart 2022.
1.3.
Tijdens het onderzoek heeft het college met een besluit van 22 juni 2021 (besluit 1) de betaling van de bijstand van appellanten met ingang van 1 juni 2021 geblokkeerd. De onderzoeksbevindingen zijn voor het college ook aanleiding geweest om met een besluit van 21 juli 2022 (besluit 2) de bijstand van appellanten in te trekken over de periode van 24 augustus 2015 tot 1 juni 2021 en de kosten van bijstand over die periode terug te vorderen tot een bedrag van € 110.189,24. Met een besluit van 6 augustus 2021 (besluit 3) heeft het college de bijstand met ingang van 1 juni 2021 ingetrokken. Aan de besluiten 2 en 3 ligt ten grondslag dat appellanten geen melding hebben gemaakt van vermogen dat zij hebben ontvangen uit de verkoop van twee ondernemingen (X en Y), van werkzaamheden die appellant heeft verricht voor onderneming X, van een lening van € 70.000,- aan een derde (A), van de opbrengsten van de verkoop van twee campers, van onroerende zaken in Turkije en van vier Turkse bankrekeningen en de tegoeden daarop. Als gevolg van die schendingen van de inlichtingenverplichting kan het college het recht op bijstand niet vaststellen.
1.4.
Met een besluit van 18 augustus 2022 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen de besluiten 1 en 3 ongegrond verklaard. Met een besluit van 30 januari 2023 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond verklaard.
Uitspraken van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 met de aangevallen uitspraken 1 en 2 ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten.
Het standpunt van appellanten
3. Appellanten zijn het met de uitspraken van de rechtbank niet eens voor zover het de intrekking en de terugvordering betreft. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten over de intrekking en de terugvordering van de bijstand in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen niet slagen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van de hoger beroepen belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Het college heeft de intrekking in besluit 3 niet beperkt tot een bepaalde periode. De bestuursrechter toetst het bestreden besluit dan voor de periode van de ingangsdatum van de intrekking tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. In dit geval loopt deze periode van 1 juni 2021 tot en met 6 augustus 2021. Dit betekent dat met besluit 2, waarbij het college de bijstand over de periode van 24 augustus 2015 tot 1 juni 2021 heeft ingetrokken, de te beoordelen periode de periode van 24 augustus 2015 tot en met 6 augustus 2021 is.
4.2.
Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich dat het college aannemelijk moet maken dat, en in welk opzicht gedurende de gehele te beoordelen periode van 24 augustus 2015 tot en met 6 augustus 2021 appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand over die periode niet kan worden vastgesteld.
4.3.
Wat appellanten aanvoeren komt er in de kern op neer dat zij slechts een aantal feiten en/of omstandigheden niet hebben gemeld, waardoor de schending van de inlichtingenverplichting beperkt is. Met een terugvordering van € 110.189,24 worden zij daarom te zwaar gestraft. Er zijn dringende redenen om de terugvordering te matigen. Deze gronden slagen niet. Daartoe is het volgende van belang.
Intrekking
4.3.1.
De Raad stelt voorop dat, anders dan appellanten lijken te suggereren, voor het recht op bijstand niet relevant is of er een groot of een klein aantal schendingen van de inlichtingenverplichting is. Waar het gelet op 4.2 om gaat, is of appellanten als gevolg van één of meer schendingen van de inlichtingenverplichting over de gehele te beoordelen periode ten onrechte bijstand hebben ontvangen.
4.3.2.
Niet in geschil is dat appellant uit de nalatenschap van zijn in 2011 overleden vader een onroerende zaak in het district [naam district] in Turkije, te weten een zomerhuisje, in eigendom heeft verkregen. Ook is niet in geschil dat appellant aan A een bedrag van € 70.000,- heeft geleend. Van dat bedrag heeft appellant € 30.000,- voorafgaand aan de toekenning van de bijstand en € 40.000,- tijdens de bijstand, in de jaren 2016 en 2017, aan A verstrekt. Verder is, gelet op wat ter zitting is besproken, ook niet in geschil dat appellant werkzaamheden heeft verricht aan twee campers die hij in 2020 respectievelijk 2021 heeft verkocht en daaruit opbrengsten heeft genoten, dat appellant in ieder geval vanaf 2017 en 2018 vier Turkse bankrekeningen op naam heeft gehad en dat appellante uit de verkoop van onderneming Y vanaf 21 augustus 2015 in totaal € 10.000,- (twintig maandelijkse stortingen van € 500,-) heeft ontvangen. Ook is niet in geschil dat appellant in verband met de verkoop van onderneming X en het gebruik van de naam X aanspraak kon maken op € 1.500,- per maand, zolang onderneming X bleef voortbestaan. Deze feiten en omstandigheden waren allemaal van belang voor de vaststelling van het recht op bijstand. Appellanten hebben niets daarvan gemeld.
4.3.3.
Alleen al met het zomerhuisje in Turkije heeft het college aan zijn in 4.2 genoemde bewijslast voldaan. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat appellanten, door dit zomerhuisje niet te melden, over de gehele te beoordelen periode hun inlichtingenverplichting hebben geschonden. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.
4.3.4.
Niet in geschil is dat appellant het zomerhuisje na het overlijden van zijn vader in eigendom heeft verkregen en dat hij het zomerhuisje de gehele te beoordelen periode in eigendom heeft gehad. Appellanten hebben dat niet gemeld en als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Dat het recht niet kan worden vastgesteld, komt doordat de waarde van het zomerhuisje niet bekend is. Het is dan aan appellanten om aannemelijk te maken dat zij, indien zij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zouden hebben voldaan, over de te beoordelen periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zouden hebben gehad. Zij zijn daarin niet geslaagd. Appellanten hebben in hoger beroep gesteld dat appellant deels eigenaar is van het zomerhuisje en hebben ter onderbouwing van de waarde een stuk overgelegd, waarin de in Turkije bepaalde waarde voor de onroerendezaakbelasting (ozb) staat vermeld van een onroerende zaak die op naam staat van de vader van appellant. Maar daarmee kan de waarde van het zomerhuisje niet worden vastgesteld. Dat is al het geval omdat de waarde die voor de ozb wordt opgegeven niet kan dienen ter vaststelling van de waarde van het zomerhuisje bij vrije verkoop. De vaststelling van de waarde die voor de ozb wordt opgegeven vindt in Turkije namelijk plaats naar opgave van de eigenaar, die als belastingplichtige baat heeft bij vaststelling van een lage waarde, waardoor er geen verband is tussen deze waarde en de verkoopwaarde. De Raad heeft dit eerder in andere uitspraken tot uitdrukking gebracht. [1]
4.3.5.
Op grond van wat in 4.3.3 en 4.3.4 is overwogen, was het college al verplicht de bijstand van appellanten over de gehele te beoordelen periode in te trekken. Hieraan doet niet af dat appellanten de intrekking als een zware straf ervaren. Dit betekent ook dat de overige gronden, die er met name op neerkomen dat appellant in de te beoordelen periode geen op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht voor onderneming X en dat nooit uitvoering is gegeven aan de maandelijkse betalingen van € 1.500,- uit de verkoop van X, niet hoeven te worden besproken. Ook de lening aan A van € 70.000,-, de ontvangen bedragen tot € 10.000,- uit de verkoop van onderneming Y en de mutaties op buitenlandse bankrekeningen tot bedragen van omgerekend ongeveer € 13.125,- behoeven niet verder te worden besproken.
Terugvordering
4.4.
Appellanten hebben aangevoerd dat zij met een terugvordering van € 110.189,24 te zwaar worden gestraft. Het college had de terugvordering op grond van dringende redenen moeten matigen. Appellanten hebben er in dit verband op gewezen dat executoriaal derdenbeslag is gelegd op de inkomsten van appellant en dat appellant medische klachten heeft.
4.4.1.
De Raad stelt voorop dat – zoals volgt uit 4.3.1 tot en met 4.3.5 – appellanten in de gehele te beoordelen periode hun inlichtingenverplichting hebben geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand over die periode niet kan worden vastgesteld. Dit betekent dat het college op grond van artikel 58, eerste lid, van de PW verplicht was de kosten van bijstand over de te beoordelen periode terug te vorderen.
4.4.2.
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de PW.
4.4.3.
Zoals de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 [2] tot uitdrukking heeft gebracht moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
4.4.4.
Het college heeft wat appellanten hebben aangevoerd niet hoeven aanmerken als dringende redenen. Het besluit tot terugvordering getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. Allereerst is hierbij van belang dat de terugvordering niet is ontstaan of opgelopen door toedoen van het college, maar door de schendingen van de inlichtingenverplichting door appellanten, die in de te beoordelen periode over grote bedragen hebben beschikt. Wat betreft de financiële gevolgen van de terugvordering wijst de Raad op de regels over de beslagvrije voet die appellanten bescherming bieden. Die regels moeten ook bij een eventueel executoriaal derdenbeslag in acht worden genomen. De medische klachten die appellant heeft, houden geen verband met de terugvordering. Die klachten waren in 2015 voor appellant al aanleiding om te stoppen met onderneming X.

Conclusie en gevolgen

4.5.
De hoger beroepen slagen dus niet. De aangevallen uitspraken worden bevestigd, aangevallen uitspraak 1 voor zover aangevochten. Dit betekent dat de intrekkingen en de terugvordering in stand blijven.
5. Omdat de hoger beroepen niet slagen, krijgen appellanten geen vergoeding voor hun proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten;
  • bevestigt aangevallen uitspraak 2.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en C.F.E. van Olden-Smit en D.H. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2026.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) J. Bonnema

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 17, eerste lid, van de PW
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
Artikel 54, derde lid, van de PW
Het college trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de PW heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
Artikel 58, eerste lid, van de PW
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de PW.

Voetnoten

1.Vergelijk de uitspraken van 17 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2034 en van 10 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3980.