Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:798

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
24/1985 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 PWArt. 54 PWArt. 58 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-melding onroerend goed in buitenland

Appellanten ontvingen bijstand sinds 2005, maar maakten geen melding van onroerende zaken in Bosnië en Herzegovina. Na onderzoek door het dagelijks bestuur en het IBF werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd over de periode 2005-2020.

Appellanten voerden aan dat zij geen eigenaar waren en dat de waarde van de panden lager was, maar konden dit niet aannemelijk maken. De Raad oordeelde dat de onroerende zaken, geregistreerd op hun naam, onderdeel van hun vermogen waren en dat zij de inlichtingenverplichting hadden geschonden.

De Raad stelde de waarde van de panden schattenderwijs vast op basis van een betrouwbare taxatie uit 2020 en concludeerde dat het vermogen gedurende de gehele periode boven de vermogensgrens lag, waardoor geen recht op bijstand bestond.

De terugvordering werd beperkt tot de materieel ten onrechte ontvangen bijstand, en appellanten konden geen dringende redenen aantonen om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering bleven in stand.

Uitkomst: De intrekking van bijstand en terugvordering van €122.366,35 wegens niet-melding van onroerend goed in het buitenland wordt bevestigd.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 juli 2024, 23/3350 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]
het dagelijks bestuur van het Werkplein Hart van West-Brabant (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 9 juni 2026

SAMENVATTING

In deze zaak gaat het om de intrekking van bijstand over de periode van 4 oktober 2005 tot en met 23 december 2020 omdat appellanten in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting geen melding hebben gemaakt van de op hun naam staande onroerende zaken in Bosnië en Herzegovina . Ook gaat het in deze zaak om terugvordering van de door appellanten in deze periode ontvangen bijstand. Appellanten voeren aan dat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden, dat aannemelijk is dat de waarde van de onroerende zaken lager is en dat sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien. Zij krijgen daarin geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.W.J. Hopmans, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 28 april 2026. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Hopmans en vergezeld door hun zonen, [naam zoon 1] en [naam zoon 2] . Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door ing. P. Neeleman.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellanten ontvingen sinds 1 juni 2005 bijstand van het dagelijks bestuur, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor gehuwden.
1.2.
Na een melding dat appellanten onder meer drie tot vier keer per jaar op vakantie gaan in Bosnië en Herzegovina en daar ook een huis en een winkelpand bezitten, heeft het dagelijks bestuur een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. Dit onderzoek is overgedragen aan team Naleving van de gemeente Breda. Een medewerker van dit team heeft het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF) van het Uwv [1] verzocht het bezit van onroerende zaken van appellanten in Bosnië en Herzegovina te onderzoeken. Verder is dossieronderzoek verricht, zijn bij appellanten gegevens opgevraagd en heeft een gesprek met appellanten plaatsgevonden. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in rapporten van 11 en 14 oktober 2021.
1.3.
Naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen heeft het dagelijks bestuur met een besluit van 6 december 2022 de bijstand van appellanten ingetrokken over de periode van 4 oktober 2005 tot en met 22 september 2013 en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van € 143.968,94 bruto.
1.4.
Na bezwaar heeft het dagelijks bestuur met een besluit van 6 juni 2023 (bestreden besluit) het besluit van 6 december 2022 herroepen, het recht op bijstand ingetrokken over de periode van 4 oktober 2005 tot en met 23 december 2020 en een bedrag van € 122.366,35 aan materieel ten onrechte netto ontvangen bijstand van appellanten teruggevorderd. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden doordat zij niet hebben gemeld dat appellant sinds 4 oktober 2005 eigenaar was van een woning in [plaats] in Bosnië en Herzegovina en appellante sinds 15 november 2012 eigenaar was van een woon- en bedrijfsgebouw in [plaats] . Het op naam van appellant staande woonhuis is op basis van een overeenkomst inzake schenking van onroerende zaken op 21 december 2020 overgedragen aan appellante en vervolgens op 24 december 2020 overgedragen aan de moeder van appellante. Op dezelfde datum is op basis van een overeenkomst inzake schenking van onroerende zaken, het woon- en bedrijfsgebouw dat op naam van appellante stond, overgedragen aan haar moeder. De waarde van de woning op naam van appellant was eerder op 30 september 2020 getaxeerd door een door het IBF ingeschakelde taxateur op een bedrag van € 114.000,-. De waarde van het woon- en bedrijfsgebouw op naam van appellante is op 30 september 2020 getaxeerd op een gemiddeld bedrag van € 30.000,-. Nu in de periode van 4 oktober 2005 tot en met 23 december 2020 sprake was van een vermogen boven de vermogensgrens, bestond er in deze periode geen recht op bijstand. Het bedrag aan kosten van bijstand dat wordt teruggevorderd, is door het dagelijks bestuur beperkt tot de waarde van de woningen. Hierop is per onroerende zaak het bedrag ter hoogte van het vrij te laten vermogen zoals dat gold in het jaar waarin de desbetreffende onroerende zaak op naam van appellanten is geregistreerd, in mindering gebracht.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellanten
3. Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over intrekking van de bijstand en de terugvordering van de kosten van bijstand tot een bedrag van € 122.366,35 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
De te beoordelen periode loopt van 4 oktober 2005 tot en met 23 december 2020.
Beschikking over vermogen
4.2.
Appellanten hebben aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden omdat de onroerende zaken geen onderdeel uitmaakten van hun vermogen. Deze zaken behoorden toe aan de moeder van appellante. Appellanten waren hiervan geen eigenaar en konden daarom niet over de zaken beschikken. Ook hebben zij geen gebruik gemaakt van de woning en het woon- en bedrijfsgebouw in [plaats] . Ter onderbouwing van dit standpunt hebben appellanten een tegenover een beëdigd notaris afgelegde verklaring van de moeder van appellante van 2 juni 2021 overgelegd. Hierin verklaart de moeder dat zij de onroerende zaken uitsluitend met haar geld heeft gekocht. De onroerende zaken zijn op naam van appellant (het enige nog levende mannelijke familielid) en appellante gesteld omdat de moeder ziek was en geen andere familie had na de genocide in Srebrenica in 1995. De moeder wilde zich ervan verzekeren dat de eigendom van de zaken bij haar overlijden in haar familie zou blijven, mede vanwege de zeer onstabiele situatie na de oorlog. Bij het teruggeven van deze onroerende zaken door haar schoonzoon en dochter, heeft zij geen geld van hen ontvangen. Deze beroepsgrond slaagt om de hierna volgende redenen niet.
4.3.
Indien onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan geregistreerd is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover een betrokkene daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellanten zijn daarin niet geslaagd.
4.4.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de verklaring van de moeder van appellante niet is onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. Dat deze verklaring tegenover een beëdigd notaris is overgelegd, maakt dit niet anders. Bovendien doet de verklaring, die achteraf is opgesteld, niet af aan het feit dat appellanten in de te beoordelen periode nog steeds juridisch eigenaar van de onroerende zaken waren en in die hoedanigheid hierover konden beschikken. [2] De term beschikken moet zo worden uitgelegd dat deze ziet op de mogelijkheid voor een betrokkene om de bezitting feitelijk te gebruiken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Dit is vaste rechtspraak. [3] Het standpunt dat de wijziging van de registratie van de onroerende zaken in Bosnië en Herzegovina slechts een administratieve handeling is en niets zegt over de beschikkingsmacht, hebben appellanten verder niet onderbouwd. Uit de schenking van de onroerende zaken door appellanten aan de moeder van appellante, blijkt verder juist dat appellanten wel over de onroerende zaken konden beschikken.
Schending inlichtingenverplichting
4.5.
In artikel 17, eerste lid, van de PW is bepaald dat de belanghebbende aan het bestuursorgaan op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.
4.6.
Appellanten voeren aan dat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden omdat de verplichtingen verbonden aan het recht op bijstand alleen in de Nederlandse taal gesteld waren. Hierdoor wisten appellanten niet dat zij de registratie van onroerende zaken op hun naam moesten melden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.7.
Niet in geschil is dat de onroerende zaken in de te beoordelen periode op naam van appellanten hebben gestaan en dat zij hiervan geen melding hebben gemaakt bij het dagelijks bestuur. Het bezit van onroerende zaken is een gegeven dat onmiskenbaar van belang is voor de verlening van bijstand. Dat is eens te meer zo als die zaken een zo grote waarde hebben in verhouding tot de hoogte van de bijstandsuitkering. Het had appellanten dan ook redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat zij daarvan melding hadden moeten maken bij het dagelijks bestuur. De stelling van appellanten dat zij de Nederlandse taal nog niet beheersten, leidt niet tot een ander oordeel. Bij twijfel over het belang van het bezit van onroerende zaken voor het recht op bijstand, lag het op de weg van appellanten om navraag te doen bij het dagelijks bestuur. Voor zover appellanten zich op het standpunt stellen dat het niet melden van onroerende zaken op hun naam hen om genoemde reden niet kan worden verweten, wijst de Raad erop dat de inlichtingenverplichting een objectief geformuleerde verplichting is, waarbij verwijtbaarheid geen rol speelt. [4]
Intrekking en schattenderwijs vaststellen van het recht op bijstand
4.8.
Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.
4.9.
Indien na een schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is de bijstandverlenende instantie gehouden om, indien mogelijk, schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand heeft, op basis van de vaststaande feiten. Het eventuele nadeel voor de betrokkene dat voortvloeit uit de resterende onzekerheden, komt daarbij wegens schending van de inlichtingenverplichting voor zijn rekening. De Raad heeft eerder in andere uitspraken in vergelijkbare zin geoordeeld. [5]
4.10.
De waarde van onroerende zaken in de te beoordelen periode kan schattenderwijs worden vastgesteld als aan het eind van of na deze periode een betrouwbare waardebepaling heeft plaatsgevonden, bijvoorbeeld in de vorm van een taxatie. In dat geval kan van die waarde voor de hele periode worden uitgegaan, omdat – kort gezegd – de waarde van onroerende zaken in het algemeen stijgt en de resterende onzekerheid voor rekening van de betrokkene mag worden gelaten. Dit volgt uit eerdere rechtspraak. [6]
4.11.
Dit laat onverlet dat een partij kan stellen en aannemelijk kan maken dat in het specifieke, voorliggende geval de waarde van de betreffende onroerende zaak voorafgaand aan de betrouwbare waardebepaling afwijkend is of afwijkend benaderd moet worden ten opzichte van die waardebepaling, waarvan bij de schatting op basis van het benoemde feit van algemene bekendheid is uitgegaan. Te denken valt aan afwijkende algemene waardeontwikkelingen van onroerende zaken in bepaalde regio’s, of van een bepaald soort onroerend goed of wijzigingen in de wisselkoers. Dit brengt geen verandering in de onder 4.8 genoemde verdeling van bewijslast en bewijsrisico.
4.12.
Het dagelijks bestuur is voor de schatting van de waarde van de onroerende zaken uitgegaan van de waarde zoals die in opdracht van het IBF is vastgesteld in de taxatierapporten van 30 september 2020 en heeft deze waarde, minus het vrij te laten vermogen in de jaren van aankoop, voor de gehele te beoordelen periode aangenomen. Appellanten betwisten de geschatte waarde van de onroerende zaken. Volgens hen zijn de taxatierapporten van het IBF niet betrouwbaar en is aannemelijk dat de waarde in de te beoordelen periode lager is geweest. Appellanten hebben in beroep tegentaxaties van een gerechtelijke bouwdeskundige van 25 juli 2023 ingebracht en erop gewezen dat de bouwdeskundige, anders dan het IBF, de onroerende zaken ook daadwerkelijk ter plekke heeft bezichtigd. In tegenstelling tot de taxatierapporten van het IBF is in de tegentaxaties bovendien de methode van bepaling van de marktwaarde gedetailleerd omschreven. Uit de door appellant overgelegde taxatierapporten volgt een lagere waarde, namelijk een waarde van de woning op naam van appellant op datum van aankoop in 2005 van € 30.697,22 bij een huidige marktwaarde van € 55.813,13 en een waarde van het woon- en bedrijfsgebouw op naam van appellante in 2012 bij aankoop van € 11.154,16 bij een huidige marktwaarde van € 13.278,77. In hoger beroep hebben appellanten een koopovereenkomst van 27 juli 2005 van de woning in [plaats] op naam van appellant voor een bedrag van 85.000 KM omgerekend € 43.395,- overgelegd en een aantal foto’s gedateerd 1 juni 2006, waarop volgens appellanten het woonhuis te zien is dat in 2005 op naam van appellant is geregistreerd.
4.13.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat alleen aan het eind van de te beoordelen periode een betrouwbare waardebepaling door het IBF heeft plaatsgevonden. Van de door appellanten overgelegde tegentaxaties is bijvoorbeeld niet duidelijk of deze taxaties zijn uitgevoerd door een erkend taxateur. De taxaties zijn namelijk vervaardigd door een bouwkundige en zijn hoofdzakelijk gebaseerd op bouwkosten en berekeningen en niet op vergelijking van waarden en verkoopprijzen van andere onroerende zaken in de omgeving. De in de tegentaxaties genoemde waarde van de panden bij aankoop zijn verder gebaseerd op niet onderbouwde aannames over de (slechte) staat van de onroerende zaken als gevolg van de oorlog en geven geen inzicht in de waardeontwikkeling van de onroerende zaken in de te beoordelen periode. Bovendien ligt de aankoopprijs van de woning op naam van appellant volgens de door appellanten overgelegde koopovereenkomst bijna 50% hoger dan de waarde bij aankoop genoemd in de tegentaxatie. Ook op grond hiervan kan worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid van de tegentaxaties. De overgelegde foto’s zeggen evenmin iets over de waarde van de woning op naam van appellant, nu niet duidelijk is welke woning hierop te zien is, hierop niet of nauwelijks iets te zien is van de staat van onderhoud en deze van na de aankoopdatum zijn.
4.14.
Over de door appellanten overgelegde koopovereenkomst van 27 juli 2005 van de op naam van appellant geregistreerde woning overweegt de Raad als volgt. De waarde bij aankoop van de op naam van appellant geregistreerde woning in 2005 bedroeg € 43.395,- (aankoopsom). Om de waarde van de woning gedurende de gehele te beoordelen periode te schatten gaat de Raad, bij gebrek aan informatie over de waardeontwikkeling vanaf het moment van aankoop, uit van een ‘eindwaarde’ zoals vastgesteld in het door het IBF overgelegde taxatierapport van € 114.000,- en – zoals hij eerder heeft overwogen – van een lineaire waardestijging in de gehele te beoordelen periode tussen de aankoopsom en eindwaarde. [7] Ook bij een lineaire waardestijging blijft het vermogen van appellanten – alleen al met deze woning – gedurende de gehele te beoordelen periode onafgebroken boven de vermogensgrens. Zij hadden daarom in die hele periode wegens vermogensoverschrijding geen recht op bijstand. Het dagelijks bestuur was alleen al daarom op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de PW verplicht de bijstand van appellanten in de te beoordelen periode in te trekken. [8]
Terugvordering
4.15.
Uit 4.14 volgt dat het dagelijks bestuur op grond van artikel 58, eerste lid, van de PW ook verplicht is om de over de te beoordelen periode gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen omdat geen recht op bijstand bestond. In de rechtspraak van de Raad zijn uitzonderingen geformuleerd op de hoofdregel dat dan in beginsel alles moet worden terugbetaald wat ten onrechte is ontvangen. De Raad wijst hierbij op het volgende.
4.16.
Een besluit tot terugvordering is herstellend van aard. Het doel van de terugvordering is dat de betrokkene over de desbetreffende periode per saldo niet meer bijstand heeft dan waarop hij recht had gehad als hij zijn verplichtingen was nagekomen. Hoewel de bijstandverlenende instantie op grond van artikel 58, eerste lid, van de PW verplicht is tot terugvordering kan deze daarom bij de vaststelling van de hoogte van het terug te vorderen bedrag afwijken van het bedrag dat de betrokkene als gevolg van het intrekkingsbesluit ten onrechte aan bijstand heeft ontvangen. Daarom moet worden bezien wat het bedrag aan bijstand is dat de betrokkene materieel ten onrechte heeft ontvangen. Wat appellanten materieel te veel hebben ontvangen wordt dus bepaald door het verschil tussen de waarde van het vermogen en de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen. De Raad heeft dit eerder in andere uitspraken overwogen. [9]
4.17.
Niet in geschil is dat de kosten van bijstand over de te beoordelen periode meer bedragen dan de waarde van de op naam van appellanten geregistreerde onroerende zaken aan het eind van de te beoordelen periode. Het dagelijks bestuur heeft daarom de terugvordering terecht beperkt tot de materieel ten onrechte ontvangen bijstand in de te beoordelen periode en hierbij terecht aansluiting gezocht bij de waarden zoals vastgesteld in de door het IBF overgelegde taxatierapporten.
Dringende redenen
4.18.
Appellanten hebben aangevoerd dat dringende redenen bestaan op grond waarvan het dagelijks bestuur geheel of gedeeltelijk had moeten afzien van terugvordering met toepassing van artikel 58, achtste lid, van de PW.
4.19.
Zoals de Raad in uitspraken van 10 december 2024 [10] tot uitdrukking heeft gebracht, moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is betaald in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
4.20.
Op grond van wat appellanten naar voren hebben gebracht, heeft het dagelijks bestuur bij afweging van de betrokken belangen geen dringende redenen hoeven aannemen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het besluit om niet van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. Daarbij is van belang dat de terugvordering niet is ontstaan door toedoen van het dagelijks bestuur, maar door de schending van de inlichtingenverplichting door appellanten. De stelling van appellanten dat zij psychisch en financieel gezien in een onaanvaardbare situatie terecht zijn gekomen, is niet met stukken onderbouwd. Daarbij komt dat het dagelijks bestuur heeft opgemerkt dat appellanten een bijstandsuitkering ontvangen en geregeld een beroep doen op bijzondere bijstand en minimaregelingen en dat hierbij niet is gebleken van psychische of financiële problemen van appellanten.

Conclusie en gevolgen

4.21.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat intrekking van bijstand over de periode 4 oktober 2005 tot en met 23 december 2020 en de terugvordering van de kosten van bijstand tot een bedrag van € 122.366,35 in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgen appellanten geen vergoeding voor hun proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.A. Timmer en D.H. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van A.T. Dannenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A.T. Dannenberg

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Participatiewet
Artikel 17, eerste lid
1. De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 54, derde lid
3. Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
Artikel 58, eerste en achtste lid
1. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
[..]
8. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Voetnoten

1.Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
2.Zie de uitspraken van 21 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2348, en van 23 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2906.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 23 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0086, en van 4 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1368.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1991.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT5852.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 13 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2745 en ECLI:NL:CRVB:2022:2794.
7.Vergelijk de uitspraak van 12 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1076, onder 5.15.
8.Zie de uitspraak van 13 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2745.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 13 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2745 en ECLI:NL:CRVB:2022:2794.
10.ECLI:NL:CRVB:2024:2192 tot en met 2195