ECLI:NL:CRVB:2026:798
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-melding onroerend goed in buitenland
Appellanten ontvingen bijstand sinds 2005, maar maakten geen melding van onroerende zaken in Bosnië en Herzegovina. Na onderzoek door het dagelijks bestuur en het IBF werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd over de periode 2005-2020.
Appellanten voerden aan dat zij geen eigenaar waren en dat de waarde van de panden lager was, maar konden dit niet aannemelijk maken. De Raad oordeelde dat de onroerende zaken, geregistreerd op hun naam, onderdeel van hun vermogen waren en dat zij de inlichtingenverplichting hadden geschonden.
De Raad stelde de waarde van de panden schattenderwijs vast op basis van een betrouwbare taxatie uit 2020 en concludeerde dat het vermogen gedurende de gehele periode boven de vermogensgrens lag, waardoor geen recht op bijstand bestond.
De terugvordering werd beperkt tot de materieel ten onrechte ontvangen bijstand, en appellanten konden geen dringende redenen aantonen om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering bleven in stand.
Uitkomst: De intrekking van bijstand en terugvordering van €122.366,35 wegens niet-melding van onroerend goed in het buitenland wordt bevestigd.