ECLI:NL:GHAMS:2026:753

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
200.349.872/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Richtlijn 93/13/EEGArt. 6 lid 1 Richtlijn 93/13/EEGArt. 6:231 BWArt. 6:233 BWArt. 6:92 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over oneerlijke bedingen in huurovereenkomst woonruimte

Deze zaak betreft een hoger beroep van Woningstichting Eigen Haard tegen een vonnis van de kantonrechter Amsterdam waarin haar vorderingen tot betaling van huurachterstand, stook- en servicekosten, rente, mutatiekosten, incassokosten en proceskosten werden afgewezen. De kantonrechter oordeelde dat ambtshalve toetsing aan de Richtlijn oneerlijke bedingen niet mogelijk was omdat Eigen Haard de huurovereenkomst en algemene voorwaarden niet had overgelegd.

Het hof stelt vast dat de huurder als consument moet worden aangemerkt en dat ambtshalve toetsing aan de Richtlijn oneerlijke bedingen verplicht is. Het hof analyseert de relevante bedingen in de algemene voorwaarden, waaronder het huurprijswijzigingsbeding, boetebedingen, incassokostenbeding en proceskostenbeding. Het hof verwijst naar recente jurisprudentie van de Hoge Raad en het HvJEU en overweegt dat sommige bedingen voorshands oneerlijk zijn.

Eigen Haard wordt in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten over de eerlijkheid van de bedingen en de gevolgen van een eventuele vernietiging daarvan. De beslissing over de proceskostenbeding wordt aangehouden in afwachting van een prejudiciële uitspraak van het HvJEU. De zaak wordt verwezen naar een roldatum in mei 2026 voor nadere stukken en verdere beslissing.

Uitkomst: De zaak wordt aangehouden en Eigen Haard krijgt gelegenheid zich nader uit te laten over de (on)eerlijkheid van de bedingen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)
zaaknummer : 200.349.872/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 10899656 \ CV EXPL 24-933
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 maart 2026
in de zaak van
WONINGSTICHTING EIGEN HAARD,
gevestigd in Amsterdam,
appellante,
advocaat: mr. H.M. Hielkema te Utrecht,
tegen
[geïntimeerde],
wonend in [plaats] ,
geïntimeerde,
niet verschenen.
Partijen worden hierna Eigen Haard en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

Deze zaak gaat over een huurovereenkomst voor geliberaliseerde woonruimte. Eigen Haard vordert een huurachterstand, stook- en servicekosten, rente, mutatiekosten, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Zij wordt in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de (on)eerlijkheid van een aantal bedingen in de algemene voorwaarden gelet op de Richtlijn 93/13/EEG (hierna: de Richtlijn oneerlijke bedingen).

2.Het geding in hoger beroep

Eigen Haard is bij dagvaarding van 11 april 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 5 maart 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen Eigen Haard als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
Tegen [geïntimeerde] is verstek verleend.
Eigen Haard heeft daarna een memorie van grieven, met producties, ingediend.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

De kantonrechter heeft geen feiten vastgesteld. Het hof gaat uit van de volgende feiten, die door Eigen Haard zijn gesteld en die niet zijn weersproken.
3.1.
[geïntimeerde] huurde sinds 1 maart 2012 van Eigen Haard de woning aan het adres [straat] te [plaats] . De aanvangshuurprijs was € 639,13 per maand. De huur was bij vooruitbetaling verschuldigd.
3.2.
Op de huurovereenkomst waren de Algemene voorwaarden woonruimte (1 oktober 2008) van Eigen Haard (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing. Daarin staan onder meer bedingen over een jaarlijkse verhoging van de huurprijs, over de vergoeding van buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten bij niet-nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst en een boetebeding.
3.3.
Er is een achterstand ontstaan in de huurbetalingen. De huurovereenkomst is met wederzijds goedvinden geëindigd per 31 maart 2020.

4.Procedure bij de kantonrechter

4.1.
Eigen Haard heeft bij de kantonrechter gevorderd, samengevat, [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van achterstallige huur, stook- en servicekosten, rente en mutatiekosten van, in totaal, € 4.545,27 en buitengerechtelijke incassokosten van € 701,23, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
4.2.
De kantonrechter heeft de vorderingen van Eigen Haard afgewezen. Hij heeft daartoe geoordeeld dat omdat de huurovereenkomst is gesloten met een consument, ambtshalve toetsing aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht moet plaatsvinden. Eigen Haard heeft de huurovereenkomst en de algemene voorwaarden niet overgelegd, zodat toetsing van bedingen op oneerlijkheid niet mogelijk is. Gelet hierop heeft Eigen Haard niet aan haar stelplicht voldaan, aldus de kantonrechter.

5.Vordering in hoger beroep

5.1.
Eigen Haard vordert in de hogerberoepdagvaarding vernietiging van het bestreden vonnis en toewijzing, alsnog, van haar vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten.
5.2.
Eigen Haard heeft vervolgens in de aanhef van haar memorie van grieven een eiswijziging aangekondigd. Het hof heeft in de memorie van grieven echter geen eiswijziging aangetroffen, zodat het hof daaraan voorbijgaat en uitgaat van de vordering in de hogerberoepdagvaarding.

6.Beoordeling

6.1.
In de algemene voorwaarden zijn onder meer de volgende bedingen opgenomen:
Artikel 6
(…)
2. Bij zelfstandige woonruimte met een geliberaliseerde huurprijs verhoogt verhuurder jaarlijks op 1 juli de huurprijs. Hiervoor volgt verhuurder de consumentenprijsindex die het Centraal Bureau voor de Statistiek publiceert (2006=100). De precieze naam van deze index is: 'reeks CPI - Alle huishoudens'. Daarbij geldt dat de huurprijsverhoging minimaal gelijk is aan de (gemiddelde) huurverhoging voor niet geliberaliseerde zelfstandige woonruimte.
3. In afwijking van lid 2 kan, eenmaal per periode van telkens vijf jaar na het ingaan van de huurovereenkomst, de huurprijs door verhuurder in overeenstemming gebracht worden met het voor vergelijkbare objecten gangbare prijsniveau.
Artikel 24
(…)
2. Als huurder verzuimt tijdig en volledig de huursom of andere afgesproken bedragen te betalen is hij 1% rente per maand verschuldigd. De rente geldt over het verschuldigde bedrag vanaf de vervaldatum tot aan de dag van algehele voldoening van het bedrag. Hierbij wordt een gedeelte van een maand als een volle maand aangemerkt.
3. Als huurder of verhuurder toerekenbaar tekortschiet in het nakomen van enige verplichting die wettelijk of door de huurovereenkomst op hem rust en de andere partij moet daardoor gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen nemen, dan zijn alle daaruit voortvloeiende kosten voor rekening van de tekortschietende partij.
4. Als het tekortschieten bestaat uit de niet tijdige betaling van een geldsom en in verband met de incassering daarvan buitengerechtelijke kosten moeten worden gemaakt, zijn deze hierbij bepaald op tenminste 15% van het verschuldigde bedrag met een minimum van € 125,-. Als een gemachtigde of een raadsman/raadsvrouw de buitengerechtelijke incasso doet, dan vermeerderen deze bedragen met de omzetbelasting over de buitengerechtelijke incassokosten. (…) De aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten ontstaat pas nadat de partij die tekortschiet schriftelijk door de andere partij is aangemaand, waarbij haar een redelijke termijn tot nakoming is gesteld en de nakoming binnen die termijn uitblijft.
6. Huurder is aan verhuurder een direct opeisbare boete van € 50,- per kalenderdag verschuldigd voor elke verplichting uit de huurovereenkomst dan wel de algemene voorwaarden die hij overtreedt of niet nakomt.
7. De bevoegdheid om een boete te vorderen (…) laat de mogelijkheid voor verhuurder open om (…) schadevergoeding (…) te vorderen.
(…)
6.2.
De door [geïntimeerde] verschuldigde huurprijs is volgens Eigen Haard sinds de aanvang van de huurovereenkomst jaarlijks verhoogd. Uit de vorderingen en de daarbij behorende specificatie blijkt verder dat Eigen Haard in deze procedure onder meer ook aanspraak maakt op rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
6.3.
Dit betekent - anders dan Eigen Haard betoogt - dat het hof de hiervoor genoemde bedingen moeten toetsen aan de Richtlijn oneerlijke bedingen. [geïntimeerde] , als huurder van woonruimte, moet worden aangemerkt als consument in de zin van het Europese recht. Op grond van vaste rechtspraak is de rechter in dat geval - ook ambtshalve - verplicht te toetsen of aan de vordering bedingen ten grondslag (kunnen) liggen die oneerlijk zijn in zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen. [1] Als de rechter tot de conclusie komt dat bedingen oneerlijk zijn, moet hij deze op grond van artikel 6 lid 1 van Pro de Richtlijn oneerlijke bedingen buiten toepassing laten. [2] Als de rechter nalaat ambtshalve te toetsen, kan de Staat aansprakelijk worden gehouden. [3] Dat vóór 2023 in huurzaken nog geen ambtshalve toetsing van de hier aan de orde zijnde bedingen plaatsvond, betekent niet dat die toetsing nu niet meer zou kunnen en moeten plaatsvinden. Vanaf de invoering van de Richtlijn oneerlijke bedingen had aan de bepalingen daarvan uitvoering moeten worden gegeven. Het is Eigen Haard zelf die daarvoor verantwoordelijk is, ook als in de rechtspraak dergelijke bedingen nog niet zijn getoetst.
Juridisch kader oneerlijkheid
6.4.
De Richtlijn oneerlijke bedingen is geïmplementeerd in artikel 6:231 e.v. van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van artikel 6:233 onder Pro a BW is een beding vernietigbaar wanneer het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend (oneerlijk) is voor de wederpartij (de consument). Zoals de Hoge Raad in 3.2.2 en 3.2.3 van de hierna onder 6.5 genoemde prejudiciële beslissing heeft vooropgesteld, wordt een beding waarover niet afzonderlijk is onderhandeld als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 Richtlijn Pro oneerlijke bedingen). Voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding in een overeenkomst moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst in aanmerking worden genomen, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft (artikel 4 lid 1 Richtlijn Pro oneerlijke bedingen). Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding moet worden nagegaan wat het cumulatieve effect is van alle bedingen van de betrokken overeenkomst. Een dergelijke beoordeling is gerechtvaardigd, omdat die bedingen in hun geheel moeten worden toegepast, ongeacht of de schuldeiser daadwerkelijk de volledige nakoming ervan nastreeft. De omstandigheid dat een beding voorkomt op de indicatieve lijst bij de Richtlijn oneerlijke bedingen, leidt niet automatisch en op zichzelf tot de conclusie dat het beding een oneerlijk karakter heeft. Wel is dat een wezenlijk aspect waarop de rechter zijn beoordeling van het oneerlijke karakter van dat beding kan baseren. Volgens artikel 5 Richtlijn Pro oneerlijke bedingen moeten schriftelijke bedingen in overeenkomsten met consumenten steeds duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld. Bij wijzigingsbedingen staat tegenover het rechtmatige belang van de wederpartij van de consument om zich in te dekken tegen een wijziging in de omstandigheden, het even rechtmatige belang van de consument om te weten, en dus te kunnen voorzien, wat de gevolgen van een dergelijke wijziging voor hem in de toekomst zullen zijn.
Het huurprijswijzigingsbeding
6.5.
De Hoge Raad heeft op 29 november 2024 - in reactie op door de kantonrechter Amsterdam in een andere zaak gestelde prejudiciële vragen - een beslissing gegeven over, in de kern, de vraag of een in de geliberaliseerde sector gehanteerd huurprijswijzigingsbeding met een opslag van
maximaal 3%naast een op de CPI gebaseerd indexatiebeding oneerlijk is als bedoeld in de Richtlijn oneerlijke bedingen (hierna: de prejudiciële beslissing). [4] De Hoge Raad oordeelde onder meer:
  • dat het indexatiebeding en het opslagbeding apart op oneerlijkheid moeten worden getoetst;
  • dat een opslagbeding als zodanig niet is aan te merken als oneerlijk en een beding dat voorziet in een opslag van maximaal 3% evenmin, omdat dit percentage in redelijkheid nodig kan zijn om de verhuurder in staat te stellen de doelen van het opslagbeding te bereiken (compensatie van kostenstijgingen die uitgaan boven de inflatie en het in de pas laten lopen van de huurprijs met de waardeontwikkeling van de woning) terwijl de financiële gevolgen ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst voor de huurder voorzienbaar zijn en de jaarlijkse huurstijging met maximaal dit percentage doorgaans binnen aanvaardbare grenzen blijft. In individuele gevallen kan dit echter anders zijn in verband met bijkomende omstandigheden die zich hebben voorgedaan ten tijde van het sluiten van de overeenkomst;
  • dat een oneerlijk bevonden opslagbeding, tenzij de huurder zich daartegen verzet, buiten toepassing moet worden gelaten, wat betekent dat een verhoging op basis van het beding noch voor het verleden noch voor de toekomst mogelijk is en dat iedere betaalde huurprijsverhoging onverschuldigd betaald is in de zin van artikel 6:203 BW Pro;
  • dat de rechter aan wie een vordering tot betaling van achterstallige huur voorligt, die oordeelt dat het opslagbeding oneerlijk is, ambtshalve een aftrek moet toepassen ter hoogte van de op grond van het opslagbeding doorgevoerde huurprijsverhogingen; en
  • dat de rechter niet ambtshalve mag overgaan tot verrekening.
6.6.
Eigen Haard heeft zich in haar memorie van grieven alleen in algemene zin uitgelaten over de noodzaak en eerlijkheid van huurprijswijzigingsbedingen in huurovereenkomsten voor geliberaliseerde woonruimte. Zij heeft echter niet toegelicht dat het huurprijswijzigingsbeding dat hier aan de orde is (artikel 6 leden Pro 2 en 3, zie 6.1 hierboven), in redelijkheid nodig was om haar in staat te stellen de doelen van het beding te bereiken. Evenmin heeft Eigen Haard geconcretiseerd dat de financiële gevolgen van dit huurprijswijzigingsbeding ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst voor [geïntimeerde] voorzienbaar waren en dat de maximale jaarlijkse huurstijging op grond van het huurprijswijzigingsbeding binnen aanvaardbare grenzen is gebleven. Het hof verwijst voor de bij de beoordeling van de (on)eerlijkheid van het beding te betrekken omstandigheden verder naar zijn arresten van 2 en 9 december 2025 en van 13 januari 2026 (ECLI:NL:GHAMS:2025:3213 respectievelijk ECLI:NL:GHAMS:2025:3360 en ECLI:NL:GHAMS:2026:89). In het bijzonder rijst in deze zaak de vraag of het gerechtvaardigd is dat huurverhogingen die gelden voor niet geliberaliseerde woonruimte (en dus voor lagere huren) ook worden toegepast op geliberaliseerde woonruimte (met hogere huren).
6.7.
Het hof zal Eigen Haard in de gelegenheid stellen zich bij akte alsnog op de hiervoor gespecificeerde wijze uit te laten over de (on)eerlijkheid van het huurprijswijzigingsbeding. Ook zal zij zich kunnen uitlaten over de gevolgen die een eventuele beoordeling van het beding als oneerlijk zou moeten hebben voor de toewijsbaarheid van haar vordering.
De boetebedingen
6.8.
Over de (on)eerlijkheid in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen van de boetebedingen in de leden 2, 6 en 7 van artikel 24 van Pro de algemene voorwaarden heeft Eigen Haard zich in het geheel nog niet uitgelaten. Het hof acht die bedingen voorshands oneerlijk. De bedingen zijn opgenomen in de algemene voorwaarden, waarover door partijen niet is onderhandeld. De boete die in deze bedingen op - in dit geval - te late betaling van de huur is gesteld is aanmerkelijk hoger dan de wettelijke rente, die zou hebben gegolden zonder deze bedingen. De wettelijke rente heeft zich sinds de aanvang van de huur in 2012 en nu bewogen tussen 2% en 7% per jaar. Bovendien is in lid 6 van dat artikel nog een extra boete per dag bedongen, die in het geheel niet is gemaximeerd. Daarbij komt ook nog dat in lid 7 - ten nadele van [geïntimeerde] afwijkend van het bepaalde in artikel 6:92 BW Pro - is bedongen dat de boete náást de schadevergoeding, in dit geval de wettelijke rente, verschuldigd is. Verder is de boete alleen gesteld op overtredingen van de huurder, niet op die van de verhuurder. Niet is gesteld of gebleken dat ergens in de overeenkomst of de algemene voorwaarden een voordeel is geboden ter compensatie van dit nadeel voor de huurder. Door dit alles wordt het evenwicht tussen de uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van [geïntimeerde] aanzienlijk verstoord. Het is niet aannemelijk dat [geïntimeerde] deze bedingen zou hebben aanvaard als daarover op eerlijke en billijke wijze was onderhandeld.
6.9.
Naar het voorlopig oordeel van het hof is de sanctie die moet worden gesteld op de oneerlijkheid van de boetebedingen niet alleen dat op die bedingen geen beroep kan worden gedaan, maar ook dat Eigen Haard geen aanspraak kan maken op de wettelijke rente. Op grond van vaste rechtspraak van het HvJEU kan immers geen beroep worden gedaan op een wettelijke bepaling van aanvullend recht die van toepassing zou zijn als een vernietigd beding niet in de overeenkomst stond. Dat op grond van de bedingen de boete naast de wettelijke rente verschuldigd zou zijn, behoort wat betreft de sanctie geen verschil ten nadele van de huurders te maken. Eigen Haard zal in haar eerdergenoemde akte kunnen reageren op het voornemen van het hof om dit beding te vernietigen en op die grond de wettelijke rente af te wijzen.
Het incassokostenbeding
6.10.
Ook over de (on)eerlijkheid van dit beding heeft Eigen Haard zich nog niet uitgelaten. Het hof is voorshands van oordeel dat leden 3 en 4 van artikel 24 van Pro de algemene voorwaarden oneerlijk zijn, omdat deze bedingen afwijken van de wettelijke regels voor incassokosten en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. Deze bedingen geven Eigen Haard de mogelijkheid om alle (het hof begrijpt: de reële) incassokosten bij [geïntimeerde] in rekening te brengen. Daarbij is geen maximum opgenomen, wat tot gevolg zou kunnen hebben dat hij belast zou worden met hogere kosten dan wettelijk is toegestaan. Het hof is op grond van het voorgaande voorshands voornemens ook dit beding te vernietigen en de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten af te wijzen, omdat na vernietiging geen beroep kan worden gedaan op bepalingen van aanvullend recht. Eigen Haard zal zich over dit voornemen kunnen uitlaten in haar akte.
Het proceskostenbeding
6.11.
Hoewel nog niet bekend is welk bedrag aan huurachterstand in hoger beroep toewijsbaar zal zijn, is niet ondenkbaar dat [geïntimeerde] de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal zijn en dus de kosten van het hoger beroep moet dragen (met uitzondering van de kosten van de akte, die Eigen Haard nodeloos heeft veroorzaakt door niet direct een op het onderhavige huurprijswijzigingsbeding toegespitste toelichting te geven). Dit betekent dat het hof ambtshalve de eerlijkheid moet beoordelen van het in artikel 24 lid 3 van Pro de algemene voorwaarden opgenomen proceskostenbeding.
6.12.
In zijn prejudiciële beslissing van 23 mei 2025 (ECLI:NL:HR:2025:820) heeft de Hoge Raad - in antwoord op door de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam gestelde prejudiciële vragen - geoordeeld dat een beding in een overeenkomst tussen een verkoper (zoals een verhuurder) en een consument (in die zaak de huurder) dat ertoe strekt dat de consument die tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen alle gerechtelijke kosten van zijn wederpartij moet betalen, in het algemeen moet worden aangemerkt als een oneerlijk beding (rov. 3.1.6). Verder heeft de Hoge Raad het voornemen geuit om het HvJEU de volgende prejudiciële vraag te stellen:
Moeten de art. 6 lid Pro 1, 7 lid 1 en 8ter van de Richtlijn oneerlijke bedingen aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat, in het geval de verkoper een oneerlijk proceskostenbeding in een overeenkomst hanteert en de overeenkomst na schrapping van het proceskostenbeding kan voortbestaan, de consument die in een gerechtelijke procedure in het ongelijk wordt gesteld, wordt veroordeeld in de proceskosten van de verkoper, overeenkomstig het nationale procesrecht, waarvan het oneerlijke proceskostenbeding ten nadele van de consument afweek?(rov. 3.2.6). Bij prejudiciële beslissing van 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) heeft de Hoge Raad deze vraag daadwerkelijk aan het HvJEU gesteld.
6.13.
In lijn hiermee is het hof voornemens het onderhavige proceskostenbeding,
dat vergelijkbaar is met het aan de Hoge Raad voorgelegde beding, te vernietigen omdat dit oneerlijk is in de zin van artikel 3 lid 1 van Pro de Richtlijn oneerlijke bedingen. Het proceskostenbeding tast immers de positie aan waarin [geïntimeerde] zonder dat beding zou verkeren, doordat het de begrenzing wegneemt die besloten ligt in de proceskostenveroordeling van artikel 237 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), terwijl niet gezegd kan worden dat Eigen Haard redelijkerwijs ervan uit kon gaan dat [geïntimeerde] een dergelijk beding zou aanvaarden indien daarover op eerlijke en billijke wijze was onderhandeld. De ambtshalve matigingsbevoegdheid van artikel 242 lid 1 Rv Pro doet hieraan niet af, omdat het in aanmerking nemen daarvan strijdig is met het uitgangspunt dat de nationale rechter zonder meer verplicht is oneerlijke bedingen buiten toepassing te laten en dit beding niet kan herzien en dat het beding bovendien ook effect kan sorteren buiten het kader van een gerechtelijke procedure (rov. 3.1.4 en 3.1.5 van beide voormelde beslissingen van de Hoge Raad).
6.14.
Wat het gevolg is van een eventuele vernietiging van het proceskostenbeding, is gelet op de door de Hoge Raad geformuleerde prejudiciële vraag nog niet duidelijk. Het hof zal de beslissing over de proceskosten daarom aanhouden en zal, nadat bij partieel eindarrest zal zijn beslist over het overig gevorderde, Eigen Haard in de gelegenheid stellen zich bij akte uit te laten over het voornemen om het proceskostenbeding te vernietigen en over de gevolgen van die vernietiging, nadat het HvJEU de hiervoor bedoelde prejudiciële vraag heeft beantwoord. De zaak zal daartoe worden verwezen naar een roldatum die is gelegen een jaar na het nog te wijzen partiële eindarrest. Als het antwoord op de prejudiciële vraag later of eerder komt, kan Eigen Haard om uitstel vragen respectievelijk de roldatum vervroegen.
Slotsom
6.15.
Eigen Haard zal zich bij akte kunnen uitlaten over de (on)eerlijkheid in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen van het huurprijswijzigingsbeding, de boetebedingen en het incassokostenbeding. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

7.Beslissing

Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 12 mei 2026 voor een akte aan de zijde van Eigen Haard als omschreven onder 6.15 van dit arrest;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.E. van der Werff, J.C.W. Rang en I. de Greef en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.

Voetnoten

1.HvJEU 4 juni 2009, zaak C-243/08, ECLI:EU:C:2009:350 (Pannon).
2.HvJEU 25 november 2020, zaak C-269/19, ECLI:EU:C:2020:954 (Banca B), punt 29.
3.HvJEU 28 juli 2016, zaak C-168/15, ECLI:EU:C:2016:602 (Tomášová).
4.HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1780.