Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2712

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
24/65
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 110 VWEUArt. 20 AWRArt. 2 lid 3 BpbArt. 2 lid 2 BpbArt. 19a lid 4 Wet BPM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag BPM op Chevrolet Corvette met diverse formeelrechtelijke grieven

Belanghebbende heeft een naheffingsaanslag BPM ontvangen van €5.294 voor een Chevrolet Corvette Convertible, waartegen bezwaar en beroep zijn ingesteld. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond maar kende belanghebbende immateriële schadevergoeding en proceskosten toe. Belanghebbende stelde in hoger beroep meerdere formeelrechtelijke grieven, waaronder schending van het verdedigingsbeginsel, onjuiste toepassing van het Unierecht, en betwistte de waardebepaling en CO2-uitstoot.

Het Hof oordeelt dat nationale rechters bevoegd zijn het Unierecht toe te passen en dat het heffen van griffierecht niet in strijd is met het Unierecht zolang het geen onoverkomelijk obstakel vormt. Het verdedigingsbeginsel is niet geschonden omdat belanghebbende schriftelijk kon reageren. De naheffingsaanslag is terecht opgelegd en de bewijslastverdeling is correct. Het taxatierapport van de Inspecteur is betrouwbaar en de waardevermindering wegens schade is juist vastgesteld op 81% van de herstelkosten.

De CO2-uitstoot van 271 gr/km is juist vastgesteld op basis van Duitse keuring en RDW-registratie. De naheffingsaanslag wordt verminderd met €2 wegens een rekenfout in het afschrijvingspercentage. Andere verminderingen worden afgewezen. De proceskostenvergoeding en immateriële schadevergoeding zijn passend en conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het Hof veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade van €500 en de Inspecteur tot vergoeding van proceskosten van €800 en het betaalde griffierecht van €274, vermeerderd met wettelijke rente.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de naheffingsaanslag BPM wordt verminderd tot €5.292 met veroordeling tot vergoeding van immateriële schade en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
nummer BK-ARN 24/65
uitspraakdatum: 29 april 2026
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 9 november 2023, nummer LEE 22/1045, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen(hierna: de Inspecteur)
alsmede de
Staat der Nederlanden(de Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 5.294.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft dit beroep ongegrond verklaard, de Inspecteur veroordeeld tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.304, de Staat veroordeeld tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 696, de Inspecteur en de Staat opgedragen ieder voor de helft het betaalde griffierecht van € 181 aan belanghebbende te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop de uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening, en de Inspecteur en de Staat ieder voor de helft veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende van € 837.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Partijen hebben nadere stukken ingebracht.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2026. Namens belanghebbende is A.F.M.J. Verhoeven verschenen. Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam1] en mr. [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft voor een Chevrolet Corvette Convertible Z51 3LT Stingray (hierna: de auto) op 10 april 2019 op aangifte een bedrag van € 7.307 aan BPM voldaan. De auto heeft een vermogen van 343 kW. De datum van eerste toelating – in de Verenigde Staten – is 25 maart 2014. Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd waarin de handelsinkoopwaarde is bepaald op € 15.000 (taxatie). Deze taxatie is gedaan aan de hand van vraagprijzen van referentievoertuigen en een – op basis van een Jaguar F-type Cabriolet – gecalculeerde schade van € 11.066. In het rapport is de taxateur uitgegaan van een Chevrolet Camaro Convertible. De historische catalogusprijs is berekend op € 99.083. De tellerstand volgens het rapport bedraagt ten tijde van de taxatie 25.057 kilometer. De tenaamstelling van de auto in het kentekenregister heeft plaatsgevonden op 19 april 2019.
2.2.
Tot de stukken behoort een “Zulassungsbescheinigung Teil 1”, waarop is vermeld dat de auto op 28 maart 2019 op naam van een Duits autobedrijf is gesteld en dat de auto een CO2-uitstoot heeft van 271 gr/km.
2.2.
De RDW heeft de auto op 4 april 2019 gekeurd en de CO2-uitstoot vastgesteld op 271 gr/km.
2.3.
De Inspecteur heeft een ‘onderzoek waardebepaling’ laten doen door de dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). Van dit onderzoek is een rapport opgemaakt. In het rapport is een consumentenprijs (historische nieuwprijs) van € 148.380 vermeld, een – op referentievoertuig onderzoek gebaseerde – handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 65.450 en is een waardevermindering vanwege schade toegepast van € 3.084 (circa 81% van de herstelkosten van € 3.829). In het rapport is de handelsinkoopwaarde van de auto aldus vastgesteld op € 62.366. Naar aanleiding van de bevindingen in dit rapport heeft de Inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag BPM, met dagtekening 25 december 2019, opgelegd. Omdat berekening van de door belanghebbende verschuldigde BPM op grond van de forfaitaire tabel voor belanghebbende gunstiger is dan naheffing op basis van het DRZ-rapport, heeft de Inspecteur de onderhavige naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd op basis van toepassing van de forfaitaire tabel. De door de Inspecteur gemaakte berekeningen zijn als volgt (bedragen in €):
Consumentenprijs (= historische nieuwprijs)
148.38
Handelsinkoopwaarde (onbeschadigd)
65.45
Schade (81% van herstelkosten)
-/- 3.084
= Handelsinkoopwaarde (beschadigd)
62.366
Afschrijving
57,97%
Historische BPM (CO2-uitstoot 271 gr/km)
48.297
Afschrijving
(57,97%) -/- 27.997
= Verschuldigde BPM
20.3
Afschrijving op basis van forfaitaire tabel
(73,91%) -/- 35.696
= Verschuldigde BPM
12.601
Door belanghebbende is betaald op aangifte
-/- 7.307
Naheffingsaanslag
5.294
2.4.
Voordat de naheffingsaanslag BPM is opgelegd, heeft de Inspecteur belanghebbende bij brief van 22 november 2019 in kennis gesteld van zijn voornemen tot het opleggen van een naheffingsaanslag. Daarbij is belanghebbende in de gelegenheid gesteld te reageren. Hiervan heeft belanghebbende geen gebruik gemaakt.
2.5.
In de bezwaarfase heeft onder meer ten aanzien van het bezwaar van belanghebbende op 17 februari 2021 een hoorgesprek plaatsgevonden. Het hoorverslag is door de Inspecteur op 19 februari 2021 aan belanghebbende gezonden.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.
3.2.
De gemachtigde van belanghebbende heeft in hoger beroep het volgende aangevoerd:
De nationale rechters – waaronder dit Hof en de Hoge Raad – mogen het Unierecht niet uitleggen. Uitsluitend het Hof van Justitie van de Europese Unie te Luxemburg (hierna: Hof van Justitie) is daartoe bevoegd.
Het (vooraf) heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming.
Belanghebbende is voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag ten onrechte niet gehoord, zodat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden.
Het opleggen van een naheffingsaanslag BPM ter zake van een naar Nederland overgebracht motorvoertuig is in strijd met artikel 110 VWEU Pro nu binnenlandse voertuigen per definitie zijn uitgesloten van een dergelijke heffingsmodaliteit.
De bewijslast met betrekking tot de toepasselijkheid en de omvang van de vermindering van de verschuldigde BPM rust in het licht van artikel 110 VWEU Pro op de Inspecteur.
De onafhankelijkheid van DRZ ten opzichte van de Inspecteur is niet gewaarborgd en aan het door DRZ opgestelde taxatierapport van de Inspecteur worden ten onrechte minder hoge eisen gesteld dan aan een door belanghebbende in te brengen rapport.
De handelsinkoopwaarde moet worden verminderd met 100% van de geraamde herstelkosten.
De Inspecteur is mogelijk uitgegaan van een te hoge CO2-uitstoot.
De naheffingsaanslag moet worden verminderd omdat bij het bepalen van de afschrijving op basis van de forfaitaire tabel een onjuist percentage in aanmerking is genomen.
De naheffingsaanslag moet worden verminderd wegens extra leeftijdskorting omdat tussen de aangifte en de tenaamstelling meer dan 5 dagen zijn verstreken.
De naheffingsaanslag moet worden verminderd met € 669 omdat op een bijlage bij de uitspraak op bezwaar dit bedrag in aftrek is gebracht.
De regeling van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb), waarbij de proceskostenvergoeding in beginsel een forfaitair karakter heeft, is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming.
De overschrijding van de redelijke termijn in beroep dient tot een hogere vergoeding van immateriële schade te leiden.
Indien aan belanghebbende het betaalde griffierecht moet worden vergoed, moet rente worden vergoed over de periode vanaf het moment waarop belanghebbende het griffierecht heeft betaald.
Wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep moet een schadevergoeding worden toegekend.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en die van de Inspecteur en primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag en subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert, afgezien van de vermindering als genoemd onder 4.18, tot handhaving van de uitspraak van de Rechtbank.

4.Beoordeling van het geschil

Ad a. Bevoegdheid uitleggen Unierecht
4.1.
De gemachtigde van belanghebbende voert aan dat de nationale rechters het Unierecht niet mogen uitleggen en dat alleen het Hof van Justitie die bevoegdheid heeft.
4.2.
Dit betoog kan niet slagen. De nationale rechters zijn verplicht om het Unierecht toe te passen. [1] Indien een nationale rechter het wenselijk of noodzakelijk acht, kan hij over de uitleg van het Unierecht prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie. Alleen de nationale rechter tegen wiens beslissingen geen hoger beroep kan worden ingesteld heeft op grond van artikel 267 van Pro het VWEU een plicht zich tot het Hof van Justitie te wenden bij vragen over de uitleg van het Unierecht als daarover onduidelijkheid bestaat.
4.3.
In onderhavige procedure ziet het Hof geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. In dat verband wordt opgemerkt dat de uitspraken van het Hof vatbaar zijn voor cassatieberoep bij de Hoge Raad, zodat artikel 267 VWEU Pro niet dwingt tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. [2]
Ad b. Vooraf heffen griffierecht
4.4.
Het heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid indien de hoogte van het verschuldigde recht een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt. [3]
4.5.
In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over het (vooraf) heffen van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. [4] Van strijdigheid met het beginsel van effectieve rechtsbescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), is om dezelfde redenen evenmin sprake. [5]
4.6.
Belanghebbende heeft de voor het beroep en hoger beroep verschuldigde griffierechten voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht, zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming in het onderhavige geval geen sprake is.
Ad c. Schending verdedigingsbeginsel
4.7.
Belanghebbende heeft gesteld dat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden, nu belanghebbende niet is gehoord voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag. Zo dit beginsel in het onderhavige geval al van toepassing is [6] – het Hof kan dat in het midden laten – dan nog is van een schending daarvan geen sprake. Uit het recht van de Unie vloeit niet voort dat het naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. [7] Dit betekent dat nu belanghebbende voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag is uitgenodigd schriftelijk een standpunt kenbaar te maken en in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid en aldus dat standpunt naar behoren kenbaar heeft kunnen maken, het recht van de Unie niet eist dat belanghebbende ook wordt uitgenodigd voor een hoorgesprek. [8]
Ad d en e. Naheffing van BPM en bewijslast
4.8.
Belanghebbende betoogt dat te weinig geheven BPM niet op grond van artikel 20 Algemene Pro wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan worden nageheven nadat voor een gebruikt, vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht motorrijtuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister) zich heeft voorgedaan. Dit betoog is niet juist. [9] Ook hetgeen belanghebbende in dit verband nog heeft aangevoerd over het in zijn ogen ten onrechte onderwerpen aan een belastingcontrole treft geen doel. Artikel 110 VWEU Pro verzet zich niet tegen het houden van toezicht op een juiste heffing van BPM.
4.9.
Verder stelt belanghebbende dat de Inspecteur op grond van het in artikel 110 VWEU Pro neergelegde discriminatieverbod van rechtswege verplicht is te waarborgen dat niet meer belasting wordt geheven dan op soortgelijke binnenlandse voertuigen. Volgens belanghebbende berusten stelplicht en - bij betwisting - bewijslast ter zake van waardeverminderende factoren niet op hem. Ook dit betoog faalt. Op iemand die zich beroept op een vermindering van de verschuldigde BPM rust de plicht om feiten te stellen en, bij betwisting, aannemelijk te maken die daartoe kunnen leiden. Daarbij moet diegene wel voldoende gelegenheid worden geboden het van hem verlangde bewijs te leveren. [10] Daarvan is in het onderhavige geval sprake. Artikel 110 VWEU Pro verzet zich dan niet tegen deze bewijslastverdeling. [11]
Ad f. Taxatierapport en betrouwbaarheid DRZ
4.10.
Belanghebbende betoogt dat aan belanghebbende hogere eisen worden gesteld wat betreft de bewijsmiddelen dan aan de Inspecteur. Dit betoog is onjuist. De rechter weegt de bewijsmiddelen en stelt aan belanghebbendes bewijsmiddelen geen hogere eisen dan aan die van de Inspecteur. Ook overigens is geen sprake van schending van het beginsel van ‘equality of arms’. Zo is niet gebleken dat de Inspecteur (de taxateur van) DRZ heeft beïnvloed of geïnstrueerd over de wijze van taxeren van de auto’s.
4.11.
Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat sprake is geweest van een aanbesteding die niet volgens de daarvoor toepasselijke regels is verlopen, dan nog heeft een dergelijke schending geen invloed op de hier aan de orde zijnde vraag inzake de handelsinkoopwaarde. Het Hof moet beoordelen of de door belanghebbende voorgestane handelsinkoopwaarde, in het licht van wat de Inspecteur heeft gesteld, voldoende door belanghebbende is onderbouwd. Het Hof merkt nog op dat het geen reden ziet te twijfelen aan de deskundigheid van de taxateur van DRZ en evenmin aanleiding heeft vanwege de werkwijze van DRZ in algemene zin geen, dan wel minder waarde aan het rapport van DRZ te hechten. [12]
Ad g. 72%-regel schade
4.12.
Belanghebbende betoogt voorts dat de Inspecteur ten onrechte slechts 81% van de door hem geraamde herstelkosten in mindering op de waarde van de auto in onbeschadigde staat heeft toegestaan in plaats van 100%.
4.13.
Op grond van artikel 3.5 van bijlage 1 bij de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (tot 2023) geldt als uitgangspunt dat de waardevermindering als gevolg van schade wordt vastgesteld op 72% van de geraamde herstelkosten. Op belanghebbende rust de last aannemelijk te maken dat de waardevermindering als gevolg van schade aan de auto (niet zijnde normale gebruiksschade) meer bedraagt dan – in dit geval het door de Inspecteur geaccepteerde percentage van – 81% van de geraamde herstelkosten. [13] In het licht van het rapport van DRZ acht het Hof belanghebbende niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat de waardevermindering wegens schade meer beloopt dan € 3.084.
4.14.
Anders dan belanghebbende betoogt is de 72%-regeling niet strijdig met artikel 110 VWEU Pro, omdat deze regeling aan de belastingplichtige voldoende gelegenheid biedt om het van hem gevraagde bewijs te leveren dat de waardevermindering van de auto als gevolg van de beschadigingen meer bedraagt dan 72% van de herstelkosten. [14]
Ad h. Hoogte CO2-uitstoot
4.15.
Belanghebbende heeft zich ter zitting van het Hof – voor het eerst, want bij de aangifte, in het eigen taxatierapport en in de stukken daarna wordt ook door belanghebbende uitgegaan van 271 gr/km – op het standpunt gesteld dat de Inspecteur mogelijk is uitgegaan van een te hoge CO2-uitstoot. Desgevraagd heeft de gemachtigde van belanghebbende verklaard dat hij niet zegt dat het niet klopt, maar dat de Inspecteur moet aantonen dat het niet gebaseerd is op de zogenoemde Scandinavische rekenmethode. Deze methode is volgens belanghebbende een theoretische methode en niet een methode waarbij de uitstoot wordt gemeten. De Inspecteur stelt zich allereerst op het standpunt dat deze stelling tardief dient te worden verklaard, omdat deze niet eerder is aangevoerd. Voorts voert de Inspecteur aan dat geen Scandinavische rekenmethode is gehanteerd, maar dat de CO2-uitstoot van 271 gr/km is gebaseerd op een keuring in Duitsland. De RDW heeft in het Nederlandse kentekenregister een CO2-uitstoot van 271 gr/km geregistreerd, overgenomen van de op het Duitse kentekenbewijs van de auto vermelde CO2-uitstoot (zie 2.2).
4.16.
Daargelaten dat belanghebbende zijn standpunt in strijd met de goede procesorde pas ter zitting in hoger beroep heeft ingenomen en daarom als tardief kan worden beschouwd, heeft belanghebbende, met hetgeen hij ter zitting naar voren heeft gebracht, de onder 4.15 genoemde stellingen van de Inspecteur niet gemotiveerd betwist. Het Hof merkt op dat er gelet op de stukken ook overigens geen aanleiding bestaat in dit geval aan te nemen dat bij de bepaling van de CO2-uitstoot de Scandinavische rekenmethode is toegepast noch dat de CO2-uitstoot te hoog is vastgesteld. Ook is naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk geworden dat de Inspecteur, door bij het opleggen van de naheffingsaanslag – overeenkomstig de aangifte van belanghebbende – uit te gaan van een CO2-uitstoot van 271 gr/km, het in artikel 110 VWEU Pro vervatte discriminatieverbod, er veronderstellenderwijs van uitgaande dat deze zaak onder de reikwijdte van artikel 110 VWEU Pro valt, heeft geschonden.
4.17.
Een en ander betekent dat de Inspecteur terecht is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 271 gr/km en van een bruto BPM van € 48.297.
Ad i, j en k. De naheffingsaanslag dient te worden verminderd
4.18.
Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd omdat bij het bepalen van de afschrijving op basis van de forfaitaire tabel een onjuist percentage in aanmerking is genomen. De Inspecteur heeft dit ter zitting van het Hof beaamd. Bij de berekening van de naheffingsaanslag is ten onrechte uitgegaan van een afschrijvingspercentage van 73,91 (zie 2.3) in plaats van 73,912 (= 71 + (7 x 0,416); zie artikel 8, lid 5, Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, tekst 2019). Niet in geschil is dat de naheffingsaanslag daarom dient te worden verminderd met € 2 tot € 5.292. Het hoger beroep is in zoverre gegrond.
4.19.
Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat de naheffingsaanslag verder moet worden verminderd wegens extra leeftijdskorting, omdat de Inspecteur bij de berekening volgens de forfaitaire tabel is uitgegaan van de datum van de tenaamstelling. Ook bestaat geen aanleiding voor een vermindering met een bedrag van € 669. Zoals de Inspecteur reeds ter zitting van de Rechtbank heeft toegelicht, is het genoemde bedrag abusievelijk in de – bij de uitspraak op bezwaar gevoegde – berekening weergegeven. Ook in hoger beroep heeft belanghebbende hiertegen niets ingebracht, maar enkel zijn stelling herhaald.
4.20.
Ook overigens heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de vermindering hoger is dan uit de forfaitaire tabel voortvloeit. De Inspecteur heeft de forfaitaire tabel toegepast omdat deze gunstiger is voor belanghebbende dan een berekening van de verschuldigde BPM op basis van het taxatierapport. Het taxatierapport van belanghebbende gaat, zoals belanghebbende ter zitting van het Hof desgevraagd heeft bevestigd, uit van een heel ander type auto (Chevrolet Camaro Convertible), ook wat betreft de opgevoerde referentieauto’s, die in het geheel niet lijkt op de onderhavige auto. Naar het oordeel van het Hof is deze auto niet vergelijkbaar, zodat van de zijde van belanghebbende geen bruikbaar taxatierapport is ingebracht. De afschrijving van de auto kan dus niet worden vastgesteld aan de hand van dit taxatierapport.
Ad l. Forfaitaire proceskostenvergoeding
4.21.
Belanghebbende heeft ook gesteld dat de Rechtbank de Inspecteur tot een te laag bedrag ter vergoeding van de proceskosten heeft veroordeeld.
4.22.
Bij het bepalen van de proceskostenvergoeding heeft de Rechtbank zich gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb). Het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming brengt mee dat nationale bepalingen op procesrechtelijk gebied niet ertoe mogen leiden dat de verwezenlijking van de aanspraken die een belanghebbende aan het Unierecht kan ontlenen, onmogelijk of uiterst moeilijk wordt. De regeling van het Bpb, waarbij de vergoeding van proceskosten in beginsel een forfaitair karakter heeft, voldoet aan deze eis. [15]
4.23.
Dit geldt ook als een onjuist bevonden standpunt van de inspecteur in strijd is met het Unierecht. [16] Daarbij is van belang dat in geval van bijzondere omstandigheden de mogelijkheid bestaat om op grond van artikel 2, lid 3, Bpb een hogere vergoeding voor proceskosten toe te kennen dan volgens het forfaitaire tarief geldt. Een eventuele wanverhouding tussen de tegemoetkoming in de proceskosten volgens het forfaitaire tarief en de werkelijk gemaakte kosten, vormt evenwel geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Bpb voor een hogere vergoeding. [17] In het onderhavige geval is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die tot een hogere vergoeding zouden moeten leiden. Het enkele feit dat eventueel in strijd met het Unierecht te veel belasting is geheven, waarvan in het onderhavige geval overigens geen sprake is, is daartoe onvoldoende. [18]
4.24.
Indien en voor zover belanghebbende tevens heeft willen stellen dat de Rechtbank ten onrechte een factor 0,5 heeft gehanteerd in verband met het gewicht van de zaak, slaagt ook deze grief niet. [19]
Ad m. Hoogte vergoeding van immateriële schade in beroep
4.25.
Bij overschrijding van de redelijke termijn worden spanning en frustratie verondersteld, behoudens bijzondere omstandigheden. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade geldt als uitgangspunt een tarief van € 500 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. De mate waarin de betrokkene daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden is in beginsel niet van belang. Dat is slechts anders in bijzondere gevallen. De omstandigheid dat eventueel in strijd met het Unierecht teveel belasting is geheven of dat meerdere malen artikel 110 VWEU Pro is geschonden, brengt – anders dan belanghebbende kennelijk betoogt – niet mee dat sprake is van een bijzonder geval zoals zojuist bedoeld. [20] Ook overigens is in het onderhavige geval niet gebleken van bijzondere omstandigheden die tot een hogere vergoeding zouden moeten leiden dan door de Rechtbank is toegekend.
Ad n. Rentevergoeding griffierecht
4.26.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat aan belanghebbende het griffierecht moet worden vergoed vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na de dagtekening van de uitspraak tot aan de dag van de algehele voldoening. [21]
4.27.
Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat dit oordeel onjuist is en dat op grond van het Unierecht rente moet worden vergoed over de periode vanaf het moment waarop het griffierecht is betaald tot het moment waarop dat griffierecht wordt vergoed. Bovendien moet volgens belanghebbende een rentevoet worden toegepast die geldt voor handelstransacties. Het betoog van belanghebbende faalt. Het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente. Griffierecht is niet een aan de Staat betaald bedrag als bedoeld in punt 21 van het arrest Irimie [22] dat rechtstreeks verband houdt met door de Staat geheven belasting. De verplichting tot het betalen van griffierecht ontstaat immers pas door het instellen van beroep. Evenmin kan worden gezegd dat het achterwege laten van een rentevergoeding als hiervoor bedoeld de verwezenlijking van de aanspraken die een belanghebbende aan het Unierecht kan ontlenen, onmogelijk of uiterst moeilijk maakt. [23]
4.28.
Ook in hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, ziet het Hof geen aanleiding voor een ander oordeel.
Ad o. Overschrijding redelijke termijn in hoger beroep
4.29.
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. In hoger beroep is de redelijke termijn van twee jaar met minder dan zes maanden overschreden. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van € 500, te vergoeden door de Staat.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande (zie 4.18) dient de naheffingsaanslag te worden verminderd tot € 5.292 en is het hoger beroep gegrond. Belanghebbende heeft voor dat geval nog verzocht om toekenning van een passende rentevergoeding over de vermindering van de naheffingsaanslag. Belanghebbende zal, om een passende rentevergoeding te krijgen, een verzoek moeten doen aan de ontvanger. Binnen deze procedure kan het verzoek niet worden behandeld. [24]

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.
5.2.
Het Hof ziet aanleiding voor een veroordeling in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken. De beslissing van de Rechtbank inzake de proceskostenvergoeding voor het beroep laat het Hof – nu deze hoger is dan bij overeenkomstige toepassing van 5.3 zou worden toegekend – in stand.
5.3.
Wat betreft de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand overweegt het Hof als volgt. Het Hof ziet in de omstandigheid dat belanghebbende uitsluitend in het gelijk is gesteld op een punt van ondergeschikt belang, te weten een rekenfout van € 2, aanleiding de vergoeding op grond van het bepaalde in artikel 2, lid 2, Bpb te verminderen door toepassing van een gewichtsfactor 0,25. Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Bpb vast op € 333 voor de kosten in de bezwaarfase (2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting) x wegingsfactor 0,25 x € 666) en € 467 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (hogerberoepschrift, bijwonen zitting) x wegingsfactor 0,25 x € 934), ofwel in totaal op € 800. Wat betreft de stelling van belanghebbende dat het Unierecht dwingt tot een hogere vergoeding, verwijst het Hof naar hetgeen hiervoor is overwogen.
5.4.
Opmerking verdient dat voornoemd bedrag op grond van het onmiddellijk per 1 januari 2024 in werking getreden artikel 19a, lid 4, Wet BPM uitsluitend op een op naam van belanghebbende staande bankrekening dient te worden uitbetaald. Belanghebbende acht deze bepaling in strijd met Unierecht. Het Hof is echter niet bevoegd een oordeel te geven over de vraag of een bedrag aan proceskostenvergoeding moet worden overgemaakt naar de rekening van een ander dan de belanghebbende. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen in een geschil over een dergelijke vraag. [25]

6.Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de vergoedingen van immateriële schade, de proceskostenvergoeding, het griffierecht en de wettelijke rente,
– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,
– vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 5.292,
– veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade in hoger beroep tot een bedrag van € 500,
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor de behandeling in bezwaar en hoger beroep tot een bedrag van € 800,
– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 274 in verband met het hoger beroep bij het Hof, en
– bepaalt dat voornoemde vergoedingen van immateriële schade, proceskosten en griffierecht worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van de algehele voldoening.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, mr . A.J.H. van Suilen en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.
De griffier, De voorzitter,
(H. de Jong) (G.B.A. Brummer)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Vgl. HvJ 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:687.
2.Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 2 februari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:936, r.o. 4.2; Hof Arnhem-Leeuwarden 25 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6391, r.o. 2.5; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.5.
3.HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.3.
4.HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.4.
5.Hof Arnhem-Leeuwarden 25 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6391, r.o. 2.7.
6.Vgl. HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1917, r.o. 4.2.3.
7.HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, r.o. 2.1.
8.HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, r.o. 2.1; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.12.
9.HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, r.o. 2.2; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.6.
10.HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.8.
11.HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.6; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.8.
12.Hof Arnhem-Leeuwarden 29 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10322, r.o. 4.8.
13.Vgl. HR 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1084.
14.HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3; Hof Arnhem-Leeuwarden 13 januari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:237, r.o. 4.8.
15.HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810, r.o. 3.5; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.28.
16.HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810, r.o. 3.4; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.29.
17.HR 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:833, r.o. 2.5; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.29.
18.HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3603, r.o. 2.4; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.29.
19.Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335, bijlage (richtsnoer proceskosten).
20.Hof Arnhem-Leeuwarden 12 november 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6945, r.o. 4.11.
21.Vgl. HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358.
22.HvJ 18 april 2013, ECLI:EU:C:2013:250.
23.Vgl. HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, r.o. 2.4.3; Hof Arnhem-Leeuwarden 4 november 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6988, r.o. 4.23.
24.HR 3 maart 2017, nr. 16/01176, ECLI:NL:HR:2017:341.
25.HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156, r.o. 5.4.