ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ4537
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schending hoorplicht bij bezwaar WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting
In deze bestuursrechtelijke zaak stond centraal of de Inspecteur de hoorplicht had geschonden bij de bezwaarprocedure tegen de vastgestelde WOZ-waarde en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting voor het jaar 2010. Belanghebbende had in het bezwaarschrift expliciet verzocht om telefonisch te worden gehoord, maar de Inspecteur weigerde dit en hield vast aan een fysieke hoorzitting die niet werd gehouden.
De rechtbank had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de Inspecteur opgedragen opnieuw uitspraak te doen nadat belanghebbende alsnog was gehoord. Het Gerechtshof bevestigde dit oordeel en oordeelde dat het bestuursorgaan moet ingaan op het verzoek van belanghebbende om telefonisch te worden gehoord, tenzij zwaarder wegende belangen zich daartegen verzetten, wat hier niet het geval was.
Het hof verwierp het verweer van de Inspecteur dat telefonisch horen niet voldeed aan de minimumeisen van de Awb en dat het aanbod tot telefonisch overleg niet als horen kon worden beschouwd. Het hoger beroep van de Inspecteur werd ongegrond verklaard. Tevens werd de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende, vastgesteld op € 944, en werd het griffierecht van € 466 opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Inspecteur wordt ongegrond verklaard en de Inspecteur wordt veroordeeld in de proceskosten.