Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 17 december 2025
[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Procesverloop
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 4.440;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- wijst het verzoek om een schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.374;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden; en
- bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop opgaaf is gedaan van een bankrekening op naam van eiseres.”
Feiten
Oordeel van de Rechtbank
Beoordeling van het geschil
C-561/19, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 28, 32, 37 en 55.
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
Beoordeling van het hoger beroep
,dat het Hof zelf aan de hand van het handelsregister van de Kamer van Koophandel heeft kunnen vaststellen dat de aan belanghebbende gelieerde vennootschap [naam bedrijf 1] ook onder de handelsnaam [belanghebbende] handelt en dat deze vennootschap ook op [adres] is gevestigd (zie ook r.o. 2.4). De gegevens van belanghebbende en [naam bedrijf 1] zijn derhalve vrijwel identiek, afgezien van het RSIN. Het in de aangifte vermelde RSIN betreft het RSIN van belanghebbende. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat belanghebbende pas in beroep het standpunt heeft ingenomen dat de naheffingsaanslag aan de verkeerde belastingplichtige is opgelegd, terwijl belanghebbende al eerder wetenschap had van de vrijwel identieke gegevens van beide vennootschappen en de wijze waarop de aangifte is ingevuld. Gelet op de voormelde door belanghebbende zelf gecreëerde specifieke omstandigheden kon belanghebbende weten dat hierdoor verwarring zou kunnen ontstaan, hetgeen de Inspecteur in dit geval niet kan worden tegengeworpen. Onder deze omstandigheden mocht de Inspecteur ervan uitgaan dat het kenteken van de auto op naam van belanghebbende is geregistreerd. Hij hoefde, gelet ook op de verplichting van belanghebbende om de in de aangifte gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud in te vullen, niet nader te onderzoeken of het kenteken wel op naam van belanghebbende was gesteld. De conclusie is dan ook dat de naheffingsaanslag aan de juiste belastingplichtige is opgelegd.
.,ECLI:EU:C:2022:565, punten 70 tot en met 78):