ECLI:NL:GHDHA:2026:76
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde woning en proceskostenveroordeling wegens schending inzagerecht
Belanghebbende, eigenaar van een dubbele bovenwoning in Den Haag, betwistte de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van €535.000 voor het jaar 2022. De rechtbank wees het beroep ongegrond, kende een vergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelde de heffingsambtenaar in proceskosten.
In hoger beroep stond centraal of de heffingsambtenaar de toezendplicht had geschonden door niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken, zoals KOUDV-factoren en iWOZ-gegevens, te verstrekken, en of de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld. Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar geen gebruik maakte van KOUDV-factoren en grondstaffels en dat de iWOZ-gegevens pas laat in het hoger beroep werden overgelegd, waardoor geen schending van de toezendplicht kon worden aangenomen.
De waardebepaling was gebaseerd op een systematische vergelijking met vergelijkingsobjecten, waarbij rekening was gehouden met verschillen in gebruiksoppervlakte en onderhoudsstaat. Het hof verwierp de stellingen van belanghebbende dat de waarde te hoog was vastgesteld en bevestigde de WOZ-waarde. Wel veroordeelde het hof de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten en griffierecht wegens het late overleggen van iWOZ-gegevens.
De proceskostenvergoeding werd vastgesteld met inachtneming van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, waarbij geen sprake was van een bijzonder geval dat een hogere vergoeding rechtvaardigde. Het hoger beroep werd gegrond verklaard voor het onderdeel schending artikel 8:42 Awb Pro en verder afgewezen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De WOZ-waarde van €535.000 wordt bevestigd, maar de heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht wegens late overleggen iWOZ-gegevens.