Belanghebbende is eigenaar van een twee-onder-een-kapwoning in de wijk [Wijk 1] te [woonplaats]. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde voor 2022 vast op €345.000, wat belanghebbende betwistte. Na afwijzing van bezwaar en beroep bij de Rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Hof.
Het Hof onderzocht of de heffingsambtenaar alle op de zaak betrekking hebbende stukken had overgelegd en of de waarde te hoog was vastgesteld. De bouwtekeningen en iWOZ-kaarten van vergelijkingsobjecten behoorden niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken, omdat deze niet waren opgevraagd of ingezien door de heffingsambtenaar. Belanghebbende had onvoldoende gemotiveerd betwist dat de gebruiksoppervlakten en objectkenmerken juist waren.
De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatierapport en een matrix met vergelijkingsobjecten uit dezelfde wijk, die qua type en ligging vergelijkbaar waren. Het bouwjaar van de woning bleek 1998 te zijn, waardoor het verschil met de vergelijkingsobjecten (2001-2004) niet relevant was. Belanghebbende's referentiematrix met woningen uit een andere wijk en ouder bouwjaar werd buiten beschouwing gelaten.
Het Hof oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende rekening had gehouden met verschillen in gebruiksoppervlakte, ligging en staat van onderhoud. De waarde van €345.000 werd niet te hoog geacht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Proceskosten werden niet toegewezen.