AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verwerping cassatieberoep bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid en billijke vergoeding
In deze zaak stond het ontslag van een werknemer wegens langdurige arbeidsongeschiktheid centraal, waarbij de werknemer tevens een billijke vergoeding vorderde wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever tijdens het re-integratietraject. De werknemer stelde dat de werkgever tekort was geschoten in zijn verplichtingen op grond van artikel 7:682 lid 1 onderPro c BW.
De zaak werd in eerste aanleg behandeld door de rechtbank Limburg en vervolgens in hoger beroep door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. De Hoge Raad kreeg het verzoek tot cassatie voorgelegd, waarbij de werknemer het cassatieberoep instelde en de werkgever een voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het principale cassatieberoep.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat er geen noodzaak was tot nadere motivering omdat de klachten geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen. Het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep werd daardoor niet behandeld. De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en veroordeelde de werknemer in de proceskosten.
Deze uitspraak bevestigt de strikte toetsing van cassatieberoepen in arbeidsrechtelijke ontslagzaken en benadrukt dat klachten die geen wezenlijke rechtsvragen bevatten, niet leiden tot cassatie.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de werknemer wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer18/03950
Datum8 november 2019
BESCHIKKING
In de zaak van
[Werkneemster], wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
hierna: [Werkneemster],
advocaat: mr. M.J. van Basten Batenburg,
tegen
STICHTING CICERO ZORGGROEP, gevestigd te Brunssum,
VERWEERSTER in cassatie, verzoekster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
hierna: Cicero,
advocaat: mr. H.J.W. Alt.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak 6270701 AZ VERZ 17-118 van de rechtbank Limburg van 30 november 2017;
b. de beschikking in de zaak 200.234.449 van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 12 juli 2018.
[Werkneemster] heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Cicero heeft een verweerschrift tot verwerping, tevens voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingediend. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.
De advocaat van [Werkneemster] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2.Beoordeling van het middel in het principale beroep
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 ROPro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Nu het middel in het principale beroep faalt, komt het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep niet aan de orde.
3.Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het principale beroep;
veroordeelt [Werkneemster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Cicero begroot op € 2.704,07 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren, M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek, H.M. Wattendorff en F.J.P. Lock , en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 8 november 2019.