ECLI:NL:PHR:2009:BJ6596
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoeding bij kennelijk onredelijk ontslag en toepassing kantonrechtersformule
De zaak betreft een cassatieberoep over de toepassing van de kantonrechtersformule bij de bepaling van de vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag ex art. 7:681 BW Pro. De werknemer, sinds 1974 in dienst, werd ontslagen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, zonder financiële compensatie. Het hof oordeelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was en kende een vergoeding toe van 70% van het bedrag volgens het sociaal plan, gebaseerd op de kantonrechtersformule met een korting van 30%.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de juridische achtergrond van het begrip kennelijk onredelijk ontslag en de aard van de vergoeding als schadevergoeding. De kantonrechtersformule, oorspronkelijk ontwikkeld voor ontbindingsvergoedingen ex art. 7:685 BW Pro, wordt als een geschikt richtsnoer gezien voor de schadevergoeding bij kennelijk onredelijk ontslag, hoewel de toepassing ervan met een korting gerechtvaardigd kan zijn.
Er wordt ingegaan op de verschillen tussen de ontbindingsprocedure en de kennelijk onredelijk ontslagprocedure, waaronder procedurele waarborgen en bewijslast. De Hoge Raad benadrukt dat niet elk ontslag zonder vergoeding automatisch kennelijk onredelijk is en dat alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen.
De conclusie is dat de kantonrechtersformule, met inachtneming van de relevante omstandigheden en mogelijk een redelijke korting, kan worden toegepast bij de bepaling van de vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag. De zaak onderstreept het belang van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid in ontslagvergoedingen en wijst op het spanningsveld tussen technische juridische regels en rechtspolitieke overwegingen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de kantonrechtersformule als richtsnoer kan dienen voor de vergoeding bij kennelijk onredelijk ontslag, met een mogelijke redelijke korting.