Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
cross-checkvan verschillende bestanden, alsook door het vaststellen van de oorspronkelijke bron die bereid moet zijn zich te verantwoorden over de juistheid van de gegevens. Daarnaast is er de controle die voortvloeit uit de voorgenomen interne taakverdeling van het bureau. Een aantal medewerkers zal worden belast met het verzamelen, ordenen en interpreteren van de gegevens, terwijl daarnaast andere medewerkers het advies zullen schrijven. (…) Gelet op de hierboven weergegeven werkwijze en procedures is de kans dat er door het bestuursorgaan of de aanbestedende dienst een onrechtmatige daad tegen een betrokkene wordt gepleegd, vrij klein.”
nieteen ondeugdelijk advies aan de burgemeester had uitgebracht. Daarna had het hof over de toerekening een beslissing moeten nemen. Indien het hof van beslissende betekenis heeft geacht dat sprake is van een causale keten en dat het handelen van het Bureau Bibob niet de laatste schakel in de causale keten is geweest − daar lijkt het volgens eiser op −, dan heeft het hof miskend dat de zgn. leer van de
causa proximain de rechtspraak niet wordt aanvaard [21] .
condicio sine qua non-verband (kort gezegd: de test of de schade óók zou zijn ontstaan indien de verweten gedraging of het verweten nalaten wordt weggedacht) en de in art. 6:98 BW Pro bedoelde toerekening [22] . Het
condicio sine qua non-verband wordt daarbij gebruikt als een minimumvereiste. Indien een
condicio sine qua non-verband aanwezig wordt geacht, brengt dit niet noodzakelijk mee dat de schade wordt toegerekend aan degene die onrechtmatig heeft gehandeld. Indien sprake is van een keten van oorzaken (een indirect verband tussen de onrechtmatige daad en de schade), geldt inderdaad dat de toerekening niet beperkt behoeft te zijn tot de laatste schakel in die keten. Wel is de ervaring dat, naar mate er meer schakels zitten tussen de gestelde onrechtmatige daad en de schade, het steeds lastiger wordt een oorzakelijk verband aan te nemen [23] .
per se. Het verstrekken van onjuiste inlichtingen of het uitbrengen van een onzorgvuldig tot stand gekomen advies kan, wanneer hieraan gevolg is gegeven, een indirecte oorzaak van de schade zijn. Om deze reden kom ik tot de slotsom dat hetzij de rechtsklacht, hetzij de subsidiaire motiveringsklacht slaagt.
jegens de wederpartijgeen vergoeding op grond van art. 6:96 lid 2 BW Pro kan worden toegekend, maar alleen de regels betreffende de proceskosten van toepassing zijn. In HR 17 december 2004 [28] was de vraag aan de orde of de Staat gehouden was, ter zake van de bijstand in een belastingprocedure een boven forfaitaire proceskostenvergoeding aan de belastingplichtige te betalen. De Hoge Raad overwoog:
ten laste van de wederpartij in het gedingeen veroordeling in de kosten wordt uitgesproken. Art. 57 (oud) Rv bepaalde in het zesde lid: “Terzake van verrichtingen waarvoor de in dit en het vorige artikel bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten, zoals die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak, kan jegens de tegenpartij geen vergoeding op grond van artikel 96, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek worden toegekend, maar zijn alleen de regels betreffende proceskosten van toepassing.” De toelichting op deze bepaling vermeldde:
bij uitsluitingbevoegd is een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Bij AMvB zijn nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld in de eerste volzin uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld [31] . Uit de parlementaire geschiedenis van de Awb volgt dat de regering van oordeel was dat het in het burgerlijk procesrecht geldende uitgangspunt, dat de partij die kosten heeft moeten maken om in rechte haar gelijk te krijgen dan wel te behouden, (slechts een deel van) deze kosten van haar wederpartij vergoed kan krijgen, ook in het bestuursprocesrecht een uitgangspunt behoort te zijn. De regering wilde niet volledig aansluiten bij het stelsel in het burgerlijk procesrecht. Zo bestaat in art. 8:75 Awb Pro verschil tussen de gronden waarop een bestuurslichaam in de kosten van de bestuursrechtelijke procedure kan worden veroordeeld en, anderzijds, de gronden waarop een natuurlijke persoon in de kosten kan worden veroordeeld. Een keuze voor een integrale kostenvergoeding in alle bestuursrechtelijke zaken achtte de regering vanuit budgettair oogpunt niet verantwoord.
in dubio, gekozen zou moeten worden voor de oplossing die het gunstigste is voor slachtoffers van onrechtmatige daden. Dit pleit voor een uitleg zoals in het middelonderdeel voorgesteld. Daarenboven dient de in het middelonderdeel verdedigde uitleg de rechtseenheid tussen het bestuursrecht en het burgerlijk recht. Of de aansprakelijk gestelde derde is opgetreden als adviseur van de wederpartij in de eerdere (hier: bestuursrechtelijke) procedure, doet in deze redenering niet ter zake. De rechtsklacht is daarom gegrond.