Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
bestaanvan de bescheiden van de wil van de verdachte/belastingplichtige afhangt. De mate van uitgeoefende druk is niet relevant, althans die druk is niet zodanig dat het gevorderde daardoor wilsafhankelijk zou worden;
inspecteurbij de burgerlijke rechter nakoming onder dwangsom kan eisen van de verplichtingen uit de AWR.
verplichtis om een oordeel te geven over de wils(on)afhankelijkheid van het af te dwingen materiaal. Nu de wetgever niet in de ex art. 6 EVRM Pro vereiste waarborg tegen zelfincriminatie heeft voorzien, moet de dwangrechter er in voorzien, en wel, aldus het EHRM, zodanig dat hij
practical and effectiveis; niet
theoretical and illusory. Een verdachte/belastingplichtige heeft weinig aan een waarborg tegen zelfincriminatie die niet in de wet staat, waarvan op het moment van dwanguitoefening vaag blijft op welke opgeëiste informatie hij ziet, en waarvan reikwijdte en effect (dus) pas kan blijken (ver) nádat de betrokkene zichzelf al – als gevolg van de uitgeoefende dwang – beschuldigd heeft. Juist op het moment waarop hij gedwongen wordt te kiezen tussen zelfbeschuldiging en dwangsomverbeuring, moet hij zijn positie kunnen overzien. Uit HR NJ 2014/70 (faillissementsgijzeling) blijkt dan ook dat u u geroepen acht om tegelijk met het oordeel over de toelaatbaarheid van de dwang ook te beslissen over de punitieve (on)bruikbaarheid van de onder dwang te produceren informatie. Dat strookt met de EHRM-arresten
Shannon, [1] Saunders, [2] Marttinen [3] en
Chambaz [4] waaruit volgt dat het EHRM een wettelijke waarborg wenst en dat hoezeer ook ‘it would have been open to the trial judge to exclude the information obtained at interview’, het recht op vrijwaring van zelfbeschuldiging reeds bestaat ‘at interview’. De borging van
nemo teneturkan niet doorgeschoven worden naar de (wellicht nooit optredende) strafrechter omdat áls de strafrechter later oordeelt, op dat moment die waarborg, met name de verklaringsvrijheid ‘at trial’, al in de kern kan zijn aangetast. Ik meen daarom dat klacht (i) van de Staat faalt.
pre-existing documents), is geenszins beslissend voor de vraag of het van de (potentieel) verdachte afgedwongen mag worden. Als de gedwongene niet kan uitsluiten dat het ook punitief tegen hem gebruikt zal worden, mogen de autoriteiten de verdachte/belastingplichtige niet tot zelf-beschuldiging nopen door
methods of coercion or oppression in defiance of the will of the(potentieel)
accused. Kunnen of willen de autoriteiten niet zonder dergelijke dwang kennis nemen van bewijsmateriaal zoals met name bankafschriften (zie de EHRM-arresten
J.B. [5] en
Chambaz:“documents” betreffende “ses comptes auprès de la banque S.”), dan is dat bewijsmateriaal wilsafhankelijk in de zin van de EHRM-rechtspraak. De beperking die de Staat wil tot slechts verklaringen onder verhoor, is onverenigbaar met de EHRM-arresten
Funke, [6] J.B.,
Chambaz,
Marttinenen
Choudhary. [7] Gezien de beperkte omvang (CHF 2.000 plus CHF 3.000) van de volgens
Chambazal ontoelaatbare beboeting gericht op afgifte van bankafschriften, en gezien de beperking van nog wél toelaatbare ‘
moderate’beboeting van niet-medewerking tot £ 300 resp. £ 1.000 in de zaken
Allen [8] en
O’Halloran and Francis, [9] kan mijns inziens niet betwijfeld worden dat een dwangsom ad € 2.500 per dag oplopend tot € 500.000 een zodanige dwang tot zelfbeschuldiging inhoudt dat hij ontoelaatbaar is zonder vrijwaring van punitief gebruik tegen de gedwongene van de van hem afgedwongen informatie. Een boete ad € 33.638 voor een failliet/verdachte wegens niet-medewerking aan verkrijging door de curator van gegevens waarvan hij niet kon uitsluiten dat zij ook voor zijn vervolging gebruikt zouden worden, “destroyed the very essence of his privilege against self-incrimination”, aldus het EHRM in
Marttinen.
ietsrelevants heeft of kan bemachtigen en dat zij dus niet in de absolute onmogelijkheid waren om enig(e) bescheid(en) te verstrekken. Uit HR NJ 2013/435 [10] blijkt overigens dat de vraag in hoeverre het echtpaar (niet) in staat is aan het bevel onder dwangsom te voldoen, aan de orde is in een eventueel executiegeschil. ’s Hofs oordeel komt er dus op neer dat het echtpaar moet verklaren en stukken overleggen
voor zoverzij daartoe in staat zijn. Met dat oordeel is niets mis.
opeenseen spoedeisend belang zou zijn ontstaan bij de gevraagde voorziening dat in 2012 nog niet bestond. Het houdt slechts in dat in 2014 (nog steeds) spoedeisend belang bestaat bij de gevraagde voorzieningen. In omkering van de bewijslast zou het echtpaar kunnen berusten, nu de schatting van de fiscus aan redelijkheids-grenzen gebonden is en te laag kan zijn. Omkering van de bewijslast laat ook de mogelijkheid open dat de belastingplichtige de onjuistheid van de schatting aantoont met ander bewijsmateriaal dan de fiscus vordert. Niet onaannemelijk is voorts dat naarmate de tijd verstrijkt, de kans groter wordt dat de schatting en de feiten (verder) uiteenlopen. De fiscus heeft een redelijke behoefte aan bewijsvernieuwing en aan inzicht in het verloop van het saldo op de rekening. ’s Hofs oordeel dat de bewijskracht van het (enige) gegeven uit 1994 afneemt, is niet onbegrijpelijk en geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
vervallenter zake van materiaal – van welke aard ook – dat dient tot bewijs voor aanslagen en boeten die al onder de rechter zijn. De dwangsomrechter hoeft zich dus niet te verdiepen in de aard van het materiaal. Voor zover bestemd tot bewijs van reeds onder de rechter berustende aanslagen en boetebeschikkingen is materiaal dat op basis van art. 47 AWR Pro jegens de belastingplichtige wordt verkregen,
onbevoegdelijkverkregen (r.o. 4.7 HR BNB 1988/160). Nu er geen afweging van belangen of beoordeling van de aard van het materiaal nodig is, ligt het voor de hand dat de rechter die de dwang toestaat, meteen het gebruik van het gevorderde uitsluit voor doelen waarvoor de informatievorderings-bevoegdheid niet bestaat. Het is niet goed denkbaar dat bevoegdheden, voor zover zij principieel niet bestaan, desondanks rechtmatig worden uitgeoefend.
sub iudicevordering van de Inspecteur jegens de belastingplichtige als ‘onbevoegdelijk’ aanmerkt, zou ook de belastingrechter in een informatiebeschikkingprocedure gebruik voor
sub iudicezaken uitsluiten. Dan moet de hem vervangende civiele dwangsomrechter mijns inziens desgevraagd niet slechts voor afgedwongen wilsafhankelijk materiaal aan zijn bevel een gebruiksrestrictie verbinden (geen punitief gebruik), maar voor
alhet gevorderde materiaal nóg een gebruiksrestrictie (niet voor substantiëring van reeds onder de rechter berustende aanslagen en boetebeschikkingen). In de praktijk zal deze restrictie overigens weinig uitmaken, nu de vereiste aangiften niet gedaan zijn, zodat de bewijslast in de lopende fiscale gedingen al is omgekeerd en verzwaard. De bevoegdheden van de rechter treden bovendien in de plaats van die van de Inspecteur en hij kan aan niet-meewerking aan vaststelling van de belastingschuld de gevolgen verbinden die hem geraden voorkomen.
sub iudicezaken gebruikte materiaal mijns inziens van het bewijs uitgesloten worden.
2.De feiten
J.B. v Switzerlandstaat voldoening aan het verzoek ex art. 47 AWR Pro niet alleen voor de gevraagde inlichtingen maar ook voor de gevraagde documenten niet los van de wil van de belastingplichtige. Die documenten zijn voor de Inspecteur niet beschikbaar en behoudens via huiszoeking ook niet tegen de wil van de belastingplichtige verkrijgbaar. De gevraagde voorziening wordt daarom toegewezen, maar met de beperking dat de gegevens en inlichtingen niet aan de oplegging van fiscale of strafrechtelijke sancties ten grondslag worden gelegd, tenzij de Hoge Raad in een op 7 juni 2013 te verwachten arrest zou oordelen dat art. 6 EVRM Pro hieraan niet in de weg staat.
nemo tenetur) heeft het Hof (r.o. 3.28) in verband met art. 6 EVRM Pro en met uw inmiddels gewezen arrest HR NJ 2013/435 een “in enige mate aangescherpt[e], althans verduidelijkt[e]” restrictie aan zijn bevel verbonden:
5.Het geding in cassatie
voor zoverhet bevel leidt tot verstrekking van materiaal dat afhangt van de wil van de gevorderde, zal het slechts kunnen worden gebruikt ten behoeve van de belastingheffing (HR NJ 2013/559). Hij had niet zelf een oordeel moeten geven over de wils(on)afhankelijkheid van het gevorderde; daarover gaat de rechter die over de beboeting of bestraffing gaat;
bestaanvan de bescheiden van diens wil afhankelijk is. In geen geval had het Hof de restrictie mogen betrekken op de veroordeling van het echtpaar tot het verstrekken van bankafschriften. In de zaak
Choudharystelt het EHRM een verklaring in een (wél voor punitieve doeleinden bruikbaar) onrechtmatig afgetapt telefoongesprek immers gelijk met “a pre-existing document or a bodily sample, to which the right not to incriminatie oneself does not extend.” Evenmin van belang, althans niet doorslaggevend is dat de Staat de bescheiden beoogt te verkrijgen onder druk van een dwangsom, die immers niet uitsluit dat zij onafhankelijk van die wil bestaan. De mate van uitgeoefende druk is niet relevant, althans die druk is niet zodanig dat het gevorderde daarmee wilsafhankelijk zou worden. Het gaat niet om bestraffing of beboeting van het niet-verstrekken van informatie. De dwangsom levert evenmin als gijzeling (zie HR NJ 2014/70) met art. 6 EVRM Pro strijdige druk op;
Funke, J.B.en
Chambazomdat er in die zaken sprake was van een ‘determination of a criminal charge’ (zie HR BNB 2004/225). Het Hof heeft onvoldoende gemotiveerd dat de dwangsomdruk zo groot zou zijn dat het verbod op zelfincriminatie zou zijn geschonden;
gevolgenvan schending van de gebruiksrestrictie aan de straf/boeterechter toekomt. Zij houden niet in dat uitsluitend de straf/boeterechter gaat over de wils(on)afhankelijkheid van het gevorderde. Bovendien handelt de fiscus onrechtmatig als hij in strijd met de gebruiksrestrictie wilsafhankelijk materiaal toch voor punitieve doeleinden gebruikt, zodat de belastingplichtige alsdan civielrechtelijk schade-vergoeding kan eisen; mede daarom is het aan de civiele voorzieningenrechter om over de wils(on)afhankelijkheid te oordelen. Doet hij dat, dan wordt de straf/boeterechter geenszins belemmert te oordelen over de
gevolgenvan gebruik in strijd met de gebruiksrestrictie.
onafhankelijk materiaal (HR BNB 2008/159 [18] ). In
Choudharystond vast dat géén dwang was uitgeoefend; dáárom was de telefoontap bruikbaar en vergelijkbaar met ‘pre-existing’ materiaal dat de autoriteiten kunnen verkrijgen zónder de verdachte te dwingen. Het Hof heeft terecht geoordeeld dat gebruik van het bewijs voor bestuurlijke beboeting of strafvervolging in strijd met art. 6 EVRM Pro zou komen, gezien de aard en de mate van dwang die uitgaat van een dwangsom ad maximaal € 500.000.
inspecteureen procedure bij de burgerlijke rechter aanhangig kan maken tot nakoming van AWR-verplichtingen op straffe van een dwangsom. Ook de wetsgeschiedenis spreekt van de
inspecteur. Hier geldt dus een uitzondering op de regel in het burgerlijk procesrecht dat alleen (rechts)personen procesbevoegdheid hebben.
bevoegdwas te beoordelen of het verkregen materiaal gebruikt mag worden in een lopende procedure; hij wilde immers niet op die beslissing
vooruit lopen. Hij heeft ten onrechte geweigerd een inhoudelijke beslissing te geven.
6.Welk bewijsmateriaal is wils(on)afhankelijk? (middel van de Staat)
nemo tenetur-waarborg (is wilsafhankelijk) en kan dus alleen van hem afgedwongen worden voor heffingsdoeleinden als er garanties zijn dat zij niet ook gebruikt wordt voor punitieve doeleinden? Deze vraag is eveneens aan de orde in de bij u aanhangige zaak met nr. 13/05136 waarin heden geconcludeerd wordt door mijn ambtgenoot Langemeijer, en ook in de bij uw derde kamer aanhangige zaak met nr. 14/00584 waarin heden mijn ambtgenoot Niessen concludeert.
nemo teneturwaarborg valt in het midden gelaten tot de (veel) latere (eventuele) zitting van de boete/strafrechter (of gaat de laatste alleen over de
gevolgenvan punitief gebruik in strijd met de door de dwangsomrechter al bepaalde gebruiksrestrictie)?
J.B. v Switzerland,
Chambaz c. Suisse,
Marttinenen
Choudhary v UKgeen andere conclusie toe dan dat de
nemo tenetur-waarborg niet beperkt is tot een verklaringsvrijheid onder verhoor, maar een waarborg inhoudt tegen het gebruik van
methods of coercion or oppression in defiance of the will of the accusedóók waar het gaat om afdwingen van mogelijk belastende documenten of ander
pre-existingbewijsmateriaal. Die conclusie heb ik samengevat in mijn conclusie voor HR NJ 2013/559. [20] Ik volsta hieronder met die samenvatting en enige aanvullingen daarop. Ik verwijs voor uitvoeriger uiteenzettingen, met name voor een geannoteerd chronologisch overzicht van de relevante EHRM-jurisprudentie, naar de eerstgenoemde conclusie.
testimonial or communicative evidence, waaronder begrepen bestaande documenten waarop de autoriteiten zonder zijn actieve medewerking echter niet de hand kunnen leggen, tenzij (i) het gaat om boeten of druk waarvan in de gegeven omstandigheden niemand wakker hoeft te liggen of (ii) er procedurele waarborgen bestaan dat de in de toezichtsfeer afgedwongen verklaringen of documenten niet strafvorderlijk gebruikt zullen worden. Gaat het om passieve medewerking aan (dulden van; ondergaan van) dwangmiddeluitoefening tot verkrijging van non-testimonial physical evidence - zoals een doorzoeking of inbeslagneming - dan is geen sprake van coercion or oppression in defiance of the will of the accused en rijst dus geen nemo tenetur-kwestie, tenzij dat passief doen ondergaan van dwangmiddelen ontaardt in inhuman and degrading treatment.
testimonial evidencegeëist. Uit de arresten J.B. v. Switzerland en Chambaz c. Suisse lijkt duidelijk te volgen dat het EHRM met het buiten het
nemo tenetur-beginsel plaatsen van bewijsmateriaal 'that has an existence independent of the will of the accused' (
Saunders-materiaal) niet bedoelde dat aan een belastingplichtige/potentieel verdachte een substantiële dwangsom of boete opgelegd mag worden wegens niet-overlegging van reeds bestaande en waarschijnlijk belastende documenten waarvan de vervolgende instanties echter zonder zijn medewerking geen kennis kunnen nemen. Eisers' geval lijkt onvoldoende te verschillen van die van J.B. en Chambaz, in wier gevallen het EHRM oordeelde dat de gevorderde (bank)documenten géén 'Saunders-materiaal' waren. De eisers kunnen voorts geenszins uitsluiten dat tegen hen een
criminal chargezal worden ingesteld, nu de Inspecteur hen immers al substantiële vergrijpboeten had opgelegd toen van hen de litigieuze medewerking werd gevorderd. Een dwangsom van € 2.000 per dag(deel) met een plafond van € 300.000 ten slotte is niet
moderatein de zin van de rechtspraak van het EHRM; een gevangenisstraf van maximaal vier (of zes) jaar en een geldboete (art. 69 AWR Pro) zijn dat overigens evenmin.
Saunders-materiaal zijn dat niet onder de
nemo tenetur-bescherming valt. Ik vul het in conclusie 12/01880 op dat punt gegeven EHRM-jurisprudentie-overzicht aan met de zaak
Choudhary v. UK, [21] waaruit mijns inziens opnieuw blijkt, net als uit de in dat overzicht opgenomen arresten, met name die in de zaken
J.B. v. Switzerland, Marttinen v. Finlanden
Chambaz c. Suisse, dat een 'pre-existing document' géén
Saunders-materiaal is als de vervolgende instanties er zonder de (afgedwongen) medewerking van de verdachte geen kennis van kunnen nemen. De zaak
Choudharybetrof onder meer een klacht over de toelating tot het bewijs (van drugshandel) van een verslag van een telefoongesprek dat onrechtmatig getapt zou zijn. De (niet-ontvankelijkheids)beslissing en de overwegingen daarvoor zijn hier niet relevant, maar het EHRM verwees in het voorbijgaan wel als voorbeeld naar 'a pre-existing document or a bodily sample to which the right not to incriminate oneself does not extend':
nemo teneturregel als zij worden verkregen (
curs. PJW) 'not as a result of any coercion or compulsion applied to the applicant by the State authorities,' dus als de autoriteiten er zonder afgedwongen actieve medewerking de hand op kunnen leggen, bijvoorbeeld door een doorzoeking, inbeslagneming bij derden,
hackenof fouilleren.”
Choudharystond dus vast dat diens telefonische verklaringen ‘were made freely’, zonder welke dwang van overheidswege ook. De autoriteiten oefenden slechts een bevoegdheid uit (tappen) die volstrekt los van de wil van de verdachte kon worden toegepast (er was zelfs geen duldplicht aan de orde, zoals bij afname van ‘bodily samples’ of fouillering). Het stond Choudhary geheel vrij om niet te telefoneren of om het niet over strafbare feiten te hebben; een volstrekt andere positie dus dan die van
Funke, J.B., Chambazen
Marttinen(en het echtpaar), op wie de autoriteiten juist (zware) druk uitoefenden, door middel van bestuurlijke boeten, (dreiging van) strafvervolging (ik merk op dat het ook in Nederland strafbaar is om niet mee te werken: zie de artt. 68 en 69 AWR: vier jaar gevangenis), omkering en verzwaring van de bewijslast en/of een hoge dwangsom, om informatie af te dwingen die zij niet wilden geven. Het beroep van de Staat op
Choudharyberust dus mijns inziens op verkeerde lezing van dat arrest.
J.B. v Switzerlanden
Chambaz c. Suisse, gaat om bankafschriften en opgave van (het verloop van) rekeningsaldi en (herkomst van) vermogen: in
J.B.ging het om fiscaal relevante ‘documents’, en in
Chambazging het “particulièrement” om “documents” betreffende “ses comptes auprès de la Banque S.” In beide zaken oordeelde het EHRM dat die bescheiden/gegevens
nietonder de uitzondering voor wilsonafhankelijk materiaal vielen, maar onder de
nemo tenetur-waarborg tegen
coercion or oppressionter zake van wils
afhankelijk materiaal (zie expliciet
J.B., r.o. 68: “the present case does
notinvolve material (…) which (…) had an existence independent of the person concerned” (
curs. PJW)). Anders dan de Staat stelt, was de procedure waarbinnen de informatie onder dreiging van administratieve boete werd gevorderd in beide zaken niet gericht op bestraffing, maar op belastingheffing. J.B. en Chambaz konden echter niet uitsluiten (
could not exclude,
ne pouvait exclure) dat door hen onder druk van (meer) administratieve boeten geproduceerde bankbescheiden
ookgebruikt zouden worden in een boete- of strafprocedure tegen hen wegens onjuiste aangiften.
Choudharyin 6.2 hierboven), is dus niet bepalend voor de vraag naar wils(on)afhankelijkheid. Als niet uitgesloten kan worden dat de onder dwang gevorderde documenten mede voor een
criminal chargegebruikt zullen worden, is het de autoriteiten niet toegestaan door
methods of coercion or oppression in defiance of the will of the accusedte dwingen tot meewerken, tenzij garanties bestaan dat de afgedwongen documenten alleen voor heffingsdoeleinden gebruikt zullen worden. Kan of wil de Staat de documenten niet achterhalen zónder
coercion or oppression in defiance of the willvan de belastingplichtige die niet kan uitsluiten dat zij ook punitief tegen hem gebruikt zullen worden, dan gaat het om wilsafhankelijk materiaal,
pre-existingof niet, en moet – volgens het EHRM liefst wettelijk – gewaarborgd zijn dat zij niet voor punitieve doelen worden gebruikt.
per definitieniet wilsafhankelijk zijn, zoals de Staat in casu stelt, dan zou art. 6 EVRM Pro zich niet verzetten tegen strafvervolging op basis van documenten, afgedwongen door middel van welke dwang ook, zoals het aanschroeven van de wurgpaal; de waarborg tegen zelfincriminatie zou dan mijns inziens niets voorstellen. Ik merk op dat documenten bewijsrechtelijk dodelijker kunnen zijn dan verklaringen. Verklaringen, waarvoor
nemo teneturzeker geldt, kunnen later nog genuanceerd, tegengesproken of ingetrokken worden. Het tegen de wil van de betrokkene afdwingen van diens actieve productie van bestaande bewijskrachtige documenten of gegevensdragers waar de vervolgingsgezinde autoriteiten niet op andere wijze aan kunnen of willen komen, kan dus een grotere inbreuk op
nemo teneturzijn dan het afdwingen van verklaringen. Eén microfiche-regel kan al veroordelend bewijs zijn, zoals genoegzaam blijkt uit de door de belastingrechter aangenomen bewijskracht van het litigieuze microfiche.
Saunders-arrest waarop het EHRM volgens uw derde kamer niet teruggekomen is. Dat arrest ging over strafvorderlijk (jury-)gebruik van verklaringen verkregen onder administratieve antwoordplicht met strafsanctie; niet over afgedwongen productie van bankafschriften, en het stamt van vóór
J.B., Chambazen
Marttinen. Het EHRM formuleert zijn uitgangspunt in
Marttineninmiddels als volgt (
curs. PJW):
Chambaz c. Suisse –twee opeenvolgende bestuurlijke boeten ad CHF 2.000 (€ 1.440) en CHF 3.000 (€ 2.159) gericht op het bewegen van een weigerachtige verdachte/belastingplichtige tot afgifte van bankgegevens reeds
te meerals resultaat heeft
Allen(£ 300) en
O’Halloran and Francis(maximaal £ 1.000) is een dergelijke dwangsom niet (zie onderdeel 11.1 van mijn conclusie voor HR NJ 2013/435). In
Marttinenoordeelde het EHRM dat een boete ad € 33.638, opgelegd aan een failliet/bankbreukverdachte wegens niet-medewerken aan boedelafwikkeling door de curator, “destroyed the very essence of his privilege against self-incrimination”.
mitsgaranties bestaan dat die afgedwongen informatie niet gebruikt zal worden in verband met enige “criminal charge” en u gaf meteen zelf die garantie. Daaruit blijkt mijns inziens onmiskenbaar dat het in NJ 2014/70 wel degelijk ging om – zonder die garantie ontoelaatbare –
coercion or oppression in defiance of the will of the accused. Als de dwangsom op één lijn gesteld moet worden met de gijzeling in HR NJ 2014/70, zoals de Staat mijns inziens terecht stelt, impliceert dit dat in casu de uitkomst dezelfde moet zijn als in HR NJ 2014/70: aan het bevel tot medewerken moet een punitief-gebruiksverbod gekoppeld worden.
nemo teneturwaarborg gebracht en dus kennelijk als wilsafhankelijk in de zin van die waarborg beschouwd.
Saunders-arrest van het EHRM en expliciet dat ook documenten onder de waarborg moeten vallen: [25]
pre-existingbewijsmiddelen en gegevensdragers in het kader van het onderzoek verkregen, gelden vergaande gebruiksrestricities ex art. 69 van Pro die Rijkswet:
Welke rechter zorgt voor de waarborg tegen afgedwongen zelfbeschuldiging nu de wetgever er niet in voorzien heeft? (middel van de Staat)
moderate), eist art. 6 EVRM Pro dat waarborgen bestaan tegen gebruik voor punitieve doelen.
voor zoverhet om wilsafhankelijk materiaal, het niet gebruikt mag worden voor een
criminal charge. Over de vraag welk gevorderd materiaal wilsafhankelijk was, liet u zich niet uit, maar die vraag was in die zaak ook niet opgeworpen, evenmin als de vraag in hoeverre het gevorderde punitief zou mogen worden gebruikt als het verstrekt zou worden: de beboete belastingplichtige in die zaak betoogde dat afdwingen van de informatie op zichzelf al onverenigbaar was met
nemo tenetur(dat hij
überhauptniet hoefde mee te werken omdat hij reeds
criminally chargedwas door boete-oplegging). Dát betoog verwierp u: hij moest wel degelijk meewerken, zij het met waarborg tegen punitief gebruik voor zover het gaat om wilsafhankelijk materiaal zou gaan. Wordt door de partijen (wél) gestreden over de (on)bruikbaarheid voor punitieve doeleinden als aan het bevel zou worden voldaan, dan volgt zowel uit uw zeer recente arrest HR NJ 2014/70 over faillissementsgijzeling (zie 7.10 hieronder) als uit de EHRM-jurisprudentie (de zaken
Shannon,
Saunders,
Marttinenen
Chambaz; zie 7.11-7.13 hieronder) dat de dwang(som)rechter ook bepaalt – zolang de wetgever de vereiste waarborg nog niet heeft ingevoerd – welke af te dwingen informatie door die dwang onbruikbaar wordt voor punitieve doeleinden.
Fiscaal up to dateuitte tweeledige kritiek (FutD 2013/1762):
überhauptniet te hoeven meewerken.
NJ2013/435 (“Dit brengt mee dat de verkrijging van wilsonafhankelijk materiaal langs de weg van een in kort geding gegeven bevel geen schending van art. 6 EVRM Pro oplevert, ook niet als aan dat bevel een dwangsom wordt verbonden”) volgt mijns inziens dat u het mogelijk achtte dat met
methods of coercion or oppressionafgedwongen bewijsmateriaal dat de verdachte/belastingplichtige niet wil verstrekken, niettemin wils
onafhankelijk kan zijn in de zin van
J.B.en
Chambaz. Ik acht die opvatting overigens onjuist (zie onderdeel 6 hierboven): als de belastingplichtige die reeds
chargedis of niet kan uitsluiten dat zijn medewerking punitief tegen hem gebruikt zal worden, (daarom) niet wil meewerken, en de autoriteiten vervolgens
seek to prove their case through methods of coercion or oppressionjegens de betrokkene (in plaats van via andere onderzoeksbevoegdheden die van de betrokkene slechts een dulden eisen, zoals inbeslagneming al dan niet bij derden, doorzoeking, bloedproef, wangslijm, telefoontap, monsterneming, fouillering, visitatie, etc), dan is de consequentie dat (al) het aldus
in defiance of his willafgedwongen materiaal onbruikbaar is voor substantiëring van een
criminal chargetegen de gedwongene. Ik merk ter vermijding van misverstand op dat mijns inziens (dus) géén
coercion or oppressionoplevert een rechter-commissaris op de stoep die aankondigt: “wij komen uw huis omkeren op zoek naar uw bankafschriften, maar dat kunt u voorkomen door ze vrijwillig af te geven”: bij een doorzoeking gaat het immers slechts om een duldplicht: de betrokkene is ‘vrij’ om niet mee te werken en het over zich heen te laten komen; de doorzoeking is gericht op het zonder medewerking van de verdachte vinden van het bewijsmateriaal, niet op het dreigen jegens en dwingen van de betrokkene tot actieve handelingen die hij juist niet wil verrichten omdat hij zichzelf niet wil beschuldigen. Bij een telefoontap, zoals in
Choudhary, is
zelfsvan een (moeten) dulden geen sprake als de beller zich van de tap niet bewust is.
bestaanvan het materiaal onafhankelijk is van de wil van de verdachte/ belastingplichtige, dan loopt die het risico dat hij onder dwang
testimonial or communicative evidenceverstrekt dat vervolgens tóch, ondanks de vereiste andersluidende garantie, gebruikt kan worden voor beboeting of strafvervolging:
in defiance of his willvan de belastingplichtige afgedwongen wordt en waarvan hij niet kan uitsluiten dat het punitief tegen hem gebruikt zal worden, óók materiaal dat de autoriteiten wel zouden
kunnenveilig stellen zonder
coercion or oppression(bijvoorbeeld door telefoontap of doorzoeking), maar ter zake waarvan zij ervoor kiezen – om redenen van efficiëntie of gemak – tóch
coercion or oppressionte gebruiken (zie met name de zaak
Funke). Het lijkt mij, behalve door de EHRM-rechtspraak vereist, ook
praktischom al het materiaal dat wordt verkregen door
coercion or oppression in defiance of the willvan de verdachte/belastingplichtige als wilsafhankelijk te beschouwen: dan hoeft niet beoordeeld te worden of het materiaal (theoretisch) wellicht ook anders dan door dwang verkregen zou hebben kunnen worden en wordt voorkomen dat de waarborg tegen zelfincriminatie afhangt van de vraag of de autoriteiten het materiaal niet
willenof niet
kunnenverkrijgen zonder
coercion or oppressionjegens de verdachte/belastingplichtige.
Marttinenen
Chambaz– dat:
fair hearingex art. 6 EVRM Pro eist mijns inziens dat een belastingplichtige die punitief gebruik niet kan uitsluiten, vóórdat hij gedwongen wordt bewijsmateriaal tegen zichzelf te verstrekken, duidelijkheid moet kunnen krijgen dat het van hem
in defiance of his willafgedwongen materiaal niet tegen hem gebruikt zal worden voor strafvervolging. Als hij daar om vraagt, zoals in casu, zal de dwangrechter hem daarover duidelijkheid moeten geven. Op basis van een vage toekomstige garantie waarvan onduidelijk is op welk materiaal die (niet) zal blijken te zien (‘voor zover wilsafhankelijk’), kan een verdachte/ belastingplichtige zijn procespositie niet zinnig beoordelen. Om de garantie geen wassen neus te laten zijn, moet mijns inziens de rechter die over de toelaatbaarheid van de
coercion or oppressionoordeelt, ook de garantie tegen punitief gebruik geven.
nemo tenetur-kwestie, nl. een failliet wiens curator ex art. 105 Faillissementswet Pro (Fw) informatie van hem vorderde over tot de boedel behorende goederen (de rechtbank maakt gewag van ‘mondelinge en schriftelijke informatie’). De rechtbank had zijn gijzeling bevolen (art. 87 Fw Pro) wegens voortdurende weigering om de curator inlichtingen te verschaffen. De failliet verzocht ex art. 88 Fw Pro ontslag uit de gijzeling omdat de curator aangifte van faillissementsfraude tegen hem wilde doen en nakoming van zijn informatieverstrekkings-plicht hem zou kunnen incrimineren. Rechtbank en Hof wezen zijn verzoek af. Volgens het Hof was faillissementsgijzeling niet in strijd met art. 6 EVRM Pro omdat zij niet bestraffend maar rechtsherstellend bedoeld is. De mogelijkheid dat de failliet onder dwang gegevens verstrekt die aanleiding kunnen zijn om hem te vervolgen, deed volgens het Hof niet af aan zijn verplichtingen uit de Faillissementswet; het was aan de strafrechter om te oordelen over de (on)bruikbaarheid van de afgedwongen informatie. Eén van de middelonderdelen van het cassatieberoep van de failliet bestreed ‘s Hofs oordeel dat in de gijzelingsprocedure niet aan de orde zou zijn de vraag of de afgedwongen informatie in een strafzaak tegen de failliet gebruikt mag worden. Anders dan in HR NJ 2013/435 (zie 7.4) was in deze zaak dus wél expliciet aan de orde de vraag in hoeverre eenmaal afgedwongen materiaal zou mogen worden gebruikt voor punitieve doeleinden. Mijn ambtgenoot Langemeijer concludeerde:
Marttinen(§ 75 jo. 34) en
Chambaz(§ 56) met kennelijke instemming naar de Finse en Zwitserse wetgeving, die bewerkstelligen dat de door schuldverhaal resp. belastingheffing van de betrokkene afgedwongen informatie niet voor punitieve doeleinden tegen hem gebruikt wordt (zie, met name over de Zwitserse regeling, de onderdelen 10.4 en 10.5 van de conclusie voor HR NJ 2013/435). Dat de Staat heeft nagelaten wettelijk in de vereiste waarborg te voorzien, waardoor noodgedwongen de rechter er in voorziet, kan bezwaarlijk meebrengen dat die vereiste waarborg wordt verzwakt door zijn inhoud vaag te laten totdat de gedwongene – wellicht veel later – voor de punitieve
trial judgeof voor een
jurystaat en hij zijn positie in dat strafproces reeds geheel ondergraven heeft door de afgedwongen medewerking (zoals in
Saunders).
Shannonvolgt dan ook dat de rechter die oordeelt over de vraag of de verdachte/belastingplichtige moet meewerken ondanks mogelijke strafvervolging op basis van zijn afgedwongen medewerking (de dwangrechter), ook de rechter is die beslist of het onder dwang opgeëiste materiaal al dan niet tevens gebruikt kan worden voor punitieve doeleinden. Shannon was voorzitter van de
Irish Republican Felons Club. Hij werd opgeroepen om opheldering te geven over de clubfinanciën. Tegen hem werd daarnaast strafvorderlijk onderzoek ingesteld wegens ‘false accounting’ en organisatie van fraude. Shannon vroeg een schriftelijke garantie dat als hij zou verschijnen en verklaren, zijn verklaring niet in een strafzaak tegen hem zelf zou worden gebruikt. Die garantie kreeg hij niet, waarop Shannon niet verscheen. Voor dat niet-verschijnen werd hij vervolgens vervolgd en veroordeeld. Voor de ‘false accounting’ en organisatie van fraude daarentegen volgde geen strafvervolging. Met verwijzing naar
Funkeachtte het Hof deze gang van zaken unaniem in strijd met art. 6 EVRM Pro:
trial judgein een latere strafprocedure om zijns inziens
unfairafgedwongen bewijs alsnog te elimineren. Niet ter zake doet immers of daadwerkelijk strafvervolging volgt. Hoezeer ook ‘it would have been open to the trial judge to exclude the information obtained at interview’, het recht om jezelf niet te hoeven beschuldigen vigeerde reeds ‘at interview’. Ik meen dat hieruit volgt dat u in HR NJ 2014/70 terecht de verdachte/failliet op het moment waarop u bepaalde dat hij gegijzeld mocht worden om informatie ten behoeve van de boedelafwikkeling af te dwingen, hem tegelijk de garantie gaf dat zij niet gebruikt zou worden om hem te vervolgen.
Saunders. Zoals ik in onderdeel 10.3 van mijn conclusie voor HR NJ 2013/435 schreef:
nemo tenetur-beginsel – het echtpaar duidelijkheid gegeven over de wils(on)afhankelijkheid en de (on)bruikbaarheid voor punitieve doeleinden van het van hen onder dwangsom gevorderde. Het Hof heeft kennelijk, net als u in HR NJ 2014/70, willen garanderen dat de EHRM-rechten voor de (potentieel) verdachten ‘practical and effective’ zijn en niet slechts een theoretische garantie die in een uiteindelijke boete- of strafprocedure alsnog ‘theoretical and illusory’ zou kunnen blijken te zijn doordat, zoals in
Saundersen
Shannon, alsdan hun geloofwaardigheid al te zeer aangetast is.
nemo tenetur-waarborg, dat de straf/boeterechter later het van de verdachte afgedwongen materiaal alsnog ten grondslag legt aan een aan hem op te leggen straf of boete. Een verdachte heeft niets aan een waarborg tegen zelfincriminatie die illusoir blijkt te zijn nadat hij zichzelf al uitgebreid beschuldigd heeft omdat de civiele rechter hem verzekerd had dat de af te dwingen informatie alleen voor de heffing gebruikt zou worden. Wordt de failliet uit HR NJ 2014/70 (zie 7.10) voor fraude vervolgd op basis van de door gijzeling van hem afgedwongen informatie, dan staat mijns inziens met dat arrest ook voor de strafrechter vast dat strafvorderlijk gebruik van de informatie onrechtmatig is.
civielebodemprocedure komen, dan zou de bekende regel uit HR NJ 1995/213 meebrengen dat de gebruiksrestrictie slechts een voorlopig oordeel is waaraan de partijen en de rechter in een bodemprocedure niet gebonden zijn (zodat executie bij voorraad op eigen risico is). Ook die regel moet mijns inziens wijken voor art. 6 EVRM Pro, want ook op dit punt verzet de aard van de waarborg tegen punitief gebruik van afgedwongen zelfincriminatie zich ertegen dat een eenmaal gegeven waarborg ná afgedwongen informatieverstrekking in vertrouwen op die waarborg alsnog illusoir wordt. De civiele bodemrechter kan mijns inziens wel opnieuw beoordelen of de geëiste informatie verstrekt moet worden (of het bevel gegeven moet worden), maar kan mijns inziens, gegeven de eisen van art. 6 EVRM Pro, niet de gebruiksrestrictie ná afgedwongen medewerking alsnog schrappen of inperken.
Furcht [30] betrof bewijs verkregen door uitlokking van strafbare feiten door de politie. Daarvoor was strafvermindering als
redressniet voldoende; het bewijs moest uitgesloten worden:
8.De mogelijk anders luidende opvatting van uw derde kamer
Shannon(2005),
Marttinen(2009) en
Chambaz(2012), en van vóór uw arresten HR NJ 2013/435 en HR NJ 2013/559, maar ook om recente rechtspraak, van 8 augustus 2014, dus van ná uw in 7.10 geciteerde andersluidende arrest in de faillissementsgijzelingszaak HR NJ 2014/70. Dit vraagt om afstemming, mede gezien de omstandigheden dat bij uw derde kamer dezelfde vraag aanhangig is in de zaak met nr. 14/00584 waarin heden mijn ambtgenoot Niessen concludeert en dat uw strafkamer nog geen rechtspraak heeft ontwikkeld waaruit kan blijken dat afgedwongen documentaire zelfbeschuldiging net als afgedwongen verklaringen onder de
nemo teneturwaarborg kan vallen (zie 6.8). Voor uw documentatie ga ik hieronder in op de rechtspraak van uw derde kamer en op het verband tussen een dwangsom en de omkering/verzwaring van de bewijslast bij niet-medewerking.
nietomgekeerd kan worden, met name het geval waarin een administratieplichtige weigert informatie
over derdente verstrekken. Kamerleden vroegen waarom de verplichting tot informatieverstrekking over de
eigenbelastingplicht van de betrokkene niet eveneens met een dwangsom werd versterkt. Het antwoord van de Staatssecretaris van Financiën luidde: [40]
grosso modovergelijkbaar zijn met (bestuursdwang en bestuurlijke) dwangsom in het overige bestuursrecht. Dat verklaart denkelijk ook het vierde lid van art. 52a AWR: omdat bewijslastomkering de bestuurlijke last onder dwangsom verving, zou het gevolg getrokken kunnen worden dat een (civielrechtelijke) dwangsom een onaanvaardbare doorkruising van de fiscaalrechtelijke bewijslastomkeringsregeling zou zijn. Art. 52a(4) AWR bepaalt daarom dat de fiscus wel degelijk bij de restrechter een dwangsom kan halen in bijzondere gevallen waarin bewijslastomkering en -verzwaring onvoldoende effect hebben.
method of coercion or oppression’ is. In de zaak HR NJ 2013/435 [42] concludeerde ik:
coerced and oppressed) om bewijs tegen zichzelf te produceren, maar slechts om de – vermoedelijk – door hem verschuldigde belasting te betalen. Dat is anders bij een dwangsom, die juist
onredelijk (dwingend) moet zijn om het gewenste effect (opening van zaken) te hebben: een effectieve dwangsom laat de betrokkene géén keus (en daarom is het ook een
method of coercion or oppression in defiance of the willvan de betrokkene). Anders dan de ambtshalve aanslag met bewijslastomkering, is de dwangsom dan ook geenszins een schatting van de vermoedelijk verschuldigde belasting. De geschatte belasting moet hoe dan ook betaald worden, náást de dwangsom. Met de dwangsom wordt geen belasting betaald; hij is uitsluitend dwang. De omkering en verzwaring van de bewijslast daarentegen zijn een middel om bij ontbreken van de vereiste medewerking toch tot een min of meer correcte heffing te komen. De bewijslastomkering geldt
nietvoor de (vergrijp)boeteoplegging (zie de artt. 25(3)(laatste volzin) en 27e(3) AWR en HR BNB 2011/206 [43] ).
moderatedruk tot medewerking in de zin van de EHRM-arresten
Allenen
O’Halloran and Francis(zie onderdelen 6.9, 6.13, 10.1 en 11.1 van de conclusie voor HR NJ 2013/435). Ook kan de (redelijke) schatting met bewijslastomkering vergeleken worden met duldplichten zoals de plicht om bloed, wangslijm of haar af te staan of fouillering te dulden, waarvoor het
nemo tenetur-beginsel niet geldt (tenzij, zoals in de zaak
Jalloh, [44] het passief moeten ondergaan van een onderzoek ontaardt in
inhuman and degrading treatment). De belastingplichtige heeft de ‘vrije’ keuze om niet mee te werken, net zo als wanneer de rechter-commissaris op de stoep staat voor een doorzoeking, maar hij zal dan ambtshalve aanslagoplegging met omkering en eventuele dwanginvordering moeten gedogen, zoals hij in het andere geval doorzoeking zal moeten gedogen.
nietheeft begaan (en de beschikking dus ten onrechte is genomen). Daar staat óók tegenover dat bewijslastomkering onder omstandigheden wel degelijk zware pressie kan opleveren. De fiscus heeft zijn schatting van de (navorderings)aanslagen voor particuliere ‘ontkenners’ in de KB-Lux-affaire gebaseerd op de top-5% achterhaalde bedragen bij de ‘meewerkers’, en daar een rekenmodel, met name een vermenigvuldigings-factor ad 1,5 op toegepast op grond waarvan voor de jaren 1990-2000 de cumulatieve inkomenscorrectie werd berekend op in totaal ƒ 225.132 en de over die elf jaar cumulatieve vermogenscorrectie op in totaal ƒ 5.883.913. [45] Bij 50% inkomstenbelasting en 0,7% vermogensbelasting gaat het dan in totaal om f 112.566 inkomstenbelasting en 41.187 vermogensbelasting, beide plus 100% boete (inmiddels 300% boete; zie art. 67d(5) AWR), is in totaal f 307.506. Ook al geldt de bewijslastomkering alleen voor de belasting en niet voor de boete, zulke bedragen kunnen als dwang ervaren worden als de betrokken ‘ontkenner’ niet aan het rekenmodel beantwoordt en slechts een luizige f 100.000 had gezwartspaard.
method of coercion or oppressionis. Anders dan de in 8.1 bedoelde vragen, hoeft in deze zaak niet (ook) de vraag beantwoord te worden of de bewijslastomkering/verzwaring een
method of coercion or oppressionis.
9.Beoordeling van het middel van de Staat
Klacht 1
verplichtom bij het toelaten van
coercion or oppressionte zorgen voor de ex art. 6 EVRM Pro vereiste waarborg tegen zelfincriminatie, bij ontbreken van de vereiste wettelijke waarborg daartegen. Uit de EHRM-arresten
Shannon,
Saunders,
Marttinenen
Chambazvolgt mijns inziens (zie 7.11-7.13 hierboven) dat het EHRM in beginsel een wettelijke waarborg, althans duidelijkheid voor de (potentieel) verdachte eist vóórdat hij daadwerkelijk gedwongen wordt; dat niet ter zake doet of daadwerkelijk beboeting of strafvervolging volgt, zodat de waarborg tegen punitief gebruik van afgedwongen materiaal ook niet overgelaten kan worden aan die wellicht nooit optredende strafrechter; en dat de waarborg tegen gedwongen zelfincriminatie reeds ‘at interview’ in de toezichtprocedure geldt omdat áls de strafrechter later oordeelt, op dat moment die waarborg, met name de verklaringsvrijheid ‘at trial’, al in de kern kan zijn aangetast. Ik meen daarom dat de eerste klacht van de Staat faalt.
pre-existing documents), is niet ter zake; beslissend is dat de autoriteiten de belastingplichtige/mogelijk vervolgde niet tot zelfbeschuldiging mogen nopen door
methods of coercion or oppression in defiance of his will(
qui ont pour résultat d’obliger le requérant à contribuer à sa propre incrimination). Kunnen of willen de autoriteiten geen kennis nemen van documenten zoals met name bankafschriften (zie
J.B.en
Chambaz) zónder
coercion or oppression in defiance of the will of the accused, dan zijn die documenten wilsafhankelijk. De beperking die de Staat wil aanbrengen tot verklaringen onder verhoor, is mijns inziens onverenigbaar met
Marttinen,
J.B. v Switzerland,
Chambaz, en
Choudhary.
Chambazontoelaatbare bestuurlijke beboeting gericht op nopen tot medewerking, en gezien de beperking van (nog wél) toelaatbare
moderatebeboeting van niet-medewerking tot £ 300 resp. £ 1.000 in de zaken
Allenresp.
O’Halloran and Francis, kan mijns inziens niet betwijfeld worden dat een dwangsom ad € 2.500 per dag oplopend tot maximaal € 500.000 wel degelijk ontoelaatbare druk tot zelfbeschuldiging inhoudt. Een boete ad € 33.638 voor een failliet/verdachte wegens informatieweigering jegens de curator in de zaak
Marttinen“destroyed the very essence of his privilege against self-incrimination”.
onafhankelijk materiaal strijd op met de
fair hearingeisen van art. 6 EVRM Pro vanwege de mate van pressie die uitgaat van de dwangsom. Volgens hen bestempelt het EHRM het gevorderde materiaal onder dergelijke omstandigheden niet als wilsonafhankelijk, ook niet als het om documenten gaat; zij leiden dat af uit de volgende passages uit
J.B. v Switzerland:
afhankelijk werden aangemerkt. Hoe dan ook meen ik dat hun betoog in cassatie aldus gelezen moet worden dat zij net als in feitelijke instanties betogen dat art. 6 EVRM Pro noopt tot een garantie dat het van hen onder dwang(som) gevorderde materiaal niet punitief tegen hen gebruikt zal worden. Zoals boven bleek, meen ik dat dat betoog juist is en dat het Hof dus terecht aldus geoordeeld heeft.
10.Moest de Inspecteur of de Staat dagvaarden? (middel 1 echtpaar)
als zodanigin rechte optreedt; zelfstandig eisend en verwerend dus. Een civielrechtelijk voorbeeld is art. 26 Wet Pro op de ondernemingsraden: de ondernemingsraad kan bij de ondernemingskamer van het Hof Amsterdam beroep instellen tegen bepaalde besluiten van de ondernemer.
11.Dwangsom als nakoming niet mogelijk is (middel 2 echtpaar)
absoluteonmogelijkheid zou kunnen verkeren hieraan te voldoen.
voor zoverzij daartoe in staat zijn. Met dat oordeel is niets mis. Het staat aan de rechter die zit over een eventueel executiegeschil om te beoordelen of zij die hoofdveroordeling al dan niet zijn nagekomen. [72]
12.Spoedeisendheid (middel 3 echtpaar)
methods of coercion or oppression(zoals een bevel onder dwangsom) niet toegestaan zijn jegens de verdachte/belastingplichtige bij bewijsvergaring ten behoeve van een
criminal chargejegens een reeds of potentieel verdachte. Voor zover het om bewijs voor de gegrondheid van de fiscale beboeting gaat, levert eventuele afnemende bewijskracht van het onder dwangsom opgeëiste materiaal dus hoe dan ook geen spoedeisend belang bij dat bevel op. Voor de belastingheffing is de bewijslastverdeling anders dan voor de boetebeschikking: uit HR BNB 2013/254 [81] blijkt dat voor de aanslagoplegging de inspecteur kan volstaan met aannemelijk maken dat de belastingplichtige
vermoedelijkhouder was van een KB-Lux-rekening; een redelijk vermoeden volstaat. De Inspecteur is op basis daarvan bevoegd de belastingplichtige ex art. 47 AWR Pro gegevens en inlichtingen te vragen over die rekening. Verstrekt deze die niet, dan wordt de bewijslast omgekeerd (art. 27e AWR), voor zover die niet al omgekeerd was wegens ontbreken van de vereiste aangifte (als de belastingplichtige een niet-aangegeven bankrekening heeft, heeft hij kennelijk niet de vereiste aangifte gedaan). Dan kan een redelijk geschatte aanslag worden opgelegd en is het aan de belastingplichtige om overtuigend aan te tonen dat die aanslag onjuist is. Het oordeel dat de belastingplichtige vermoedelijk houder was/is van een KB-Lux-rekening is feitelijk. Op de vraag tot in welke lengte van jaren op grond van alleen het microfiche-gegeven mag worden vermoed dat de belastingplichtige houder is (gebleven) van een KB-Lux-rekening, is nog niet beslist, dus hier kan de fiscus spoedeisend belang hebben op de grond van afnemende bewijskracht van vermoedens.
BNB2013/207BNB 2013/207 [83] geconcretiseerd: ook voor de rest van het jaar ná 31 januari 1994 kan worden aangenomen dat het saldo aanwezig is geweest als vaststaat dat (i) de belastingplichtige op 31 januari 1994 houder was van (een) KB-Lux-rekening(en), (ii) die rekening(en) op 31 januari 1994 een aanzienlijk positief saldo vertoonde(n) (meer dan ƒ 100.000; zie HR BNB 2013/260 [84] ), (iii) de belastingplichtige het saldo van en de rente op die rekening(en) niet heeft aangegeven, en (iv) de rentevrijstelling voor dat jaar reeds volledig was benut met wél aangegeven rente, c.q. de resterende rentevrijstelling niet de rente kan dekken waarvan kan worden aangenomen dat die is ontvangen op die KB-Lux-rekening(en). Ook het bewijs voor 1995 of een later jaar kan met hetzelfde bewijsvermoeden worden geleverd. Over de reikwijdte van de
carry forward [85] van dit vermoeden (tot hoeveel jaar voorbij 1994?) heeft uw derde kamer nog niet beslist. Wel heeft zij een grens gesteld aan de
carry back [86] van het bewijsvermoeden: voor 1993 kan het bewijs nog wel met hetzelfde bewijsvermoeden worden geleverd, maar voor eerdere jaren is het te zeer op veronderstellingen gebaseerd.
evidentte hoog zijn. Ook als zij niet te laag is, kan de belastingplichtige ervoor kiezen geen opening van zaken te geven. Het is denkbaar dat hij met ander bewijsmateriaal dan het door de fiscus verlangde aantoont dat de schatting te hoog is (dat is dus al gelukt ter zake van de factor 1,5), of alleen voor bepaalde strategisch gekozen jaren de verlangde gegevens produceert. Weliswaar kan ook een dwangsom voor lief worden genomen, maar die komt dan wel
bovenopde geschatte belasting, en is juist
nietredelijk: een effectieve dwangsom laat de veroordeelde geen keus. Hoe dan ook is de dwangsom geen benadering van de belasting of de boete, maar uitsluitend gericht op afdwingen van nakoming.
13.(Geen) bewaartermijn (middel 4 echtpaar)
Alsde bescheiden er (nog) zijn, moeten zij verstrekt worden. Het middel gaat uit van de onjuiste veronderstelling dat administratieplichtigen na verloop van de bewaartermijn niet verplicht zouden zijn tot verstrekking van gegevens die zij desondanks bewaard hebben. Hetzelfde geldt voor particulieren: die hoeven weliswaar
überhauptniet te administreren of te bewaren, maar als zij dat wél doen, zijn zij verplicht de te hunnen aanzien fiscaal relevante bescheiden waarover zij (kunnen) beschikken te verstrekken, hoe oud ook, zolang navordering mogelijk is of de gegevens van belang kunnen zijn voor nog navorderbare jaren, zulks slechts beperkt door de beginselen van behoorlijk bestuur.
Desub iudice-regel; beginselen van procesrecht; gebruik van controle-bevoegdheden hangende beroep (middel 5 echtpaar)
kunnenook van belang zijn voor andere jaren en ook voor nog niet opgelegde (navorderings)aanslagen over hetzelfde reeds litigieuze jaar, en mogelijk ook voor de heffing van andere belastingplichtigen over hetzelfde jaar, zoals fiscale partners of minderjarige kinderen. Ook zou bijvoorbeeld kunnen blijken dat een bedrag is overgeboekt naar een andere, bij de Inspecteur niet bekende rekening. Daarmee faalt middel 5 mijns inziens reeds. Het reeds lopen van belastingprocedures over bepaalde jaren neemt de vorderingsbevoegdheid en daarmee de meewerkplicht niet weg, tenzij de fiscus (vrijwel) uitsluitend zou vorderen met het oog op reeds lopende procedures. Hoogstens kan een gebruiksrestrictie geformuleerd worden. De vraag is dan slechts – opnieuw – of de dwang(som)rechter die bevel tot medewerking geeft, ook meteen zelf de waarborg geeft – net zoals ter zake van mede punitief relevante wilsafhankelijke heffingsinformatie – tegen ‘verkeerd’ gebruik van de onder dwang te verstrekken informatie. Daarover gaat middel 6.
derden. De reikwijdte van de
sub iudice-regel beperkt zich tot bevoegdheidsverval voor bewijsvoering in reeds lopende processen.
gebruiktworden voor punitieve doeleinden. Weigeren zonder de dwangsom verschuldigd te worden, zit er dus ook met een beroep op HR BNB 1988/160 hoe dan ook niet in: meer dan een gebruiksrestrictie in reeds lopende belastingprocedures zit er ook thans niet in. Daarop ga ik in bij de behandeling van middel 6.
Uitsluiting bij voorbaat vanfiscaalrechtelijkgebruik van de gevorderde informatie in lopende belastingprocedures? (middel 6 echtpaar)
onbevoegdelijkverkregen (zie r.o. 4.7 van HR BNB 1988/160).
sub iudiceregel – en daarmee onbevoegdelijk – informatie van de belastingplichtige die (mede) van belang is in de reeds lopende rechtsgedingen, dan belet niets de laatste om die informatie te weigeren en bezwaar en beroep in te stellen tegen de informatiebeschikking ex art. 52a AWR die zal volgen. Juist uit het gegeven dat informatiebeschikkingen bij de belastingrechter bestreden kunnen worden, volgt dat hier in uitgangspunt geen taak ligt voor de civiele voorzieningenrechter. Die benadering snijdt echter geen hout als de Inspecteur, zoals in casu, géén informatiebeschikking oplegt, maar in plaats daarvan een bevel onder dwangsom bij de burgerlijke rechter gaat halen. Alsdan is er geen bestuursrechtelijk rechtsmiddel tegen de deels onbevoegdelijk gedane informatievordering. Als de overheid op basis van art. 52a(4) AWR en HR NJ 2013/435 de informatiebeschikking en de bijbehorende bestuursrechtelijke rechtsbescherming passeert om in plaats daarvan de civiele dwangsomrechter te adiëren, dan lijkt mij dat die civiele rechter ook de met art. 52a AWR beoogde rechtsbescherming moet bieden die de belastingrechter niet kán bieden als gevolg van de keuze van de Staat om de bestuursrechtelijke weg niet te volgen. U vergelijke onderdeel 10.18 van de conclusie voor HR NJ 2013/559: [94] als de weg van de civiele dwangsom in plaats van de weg van de informatiebeschikking wordt gevolgd, wordt ook art. 27e(2) AWR (nieuwe redelijke nakomingstermijn) uitgeschakeld, hetgeen mijns inziens opgevangen moet worden door de civiele dwangsomrechter, die alsdan in plaats van de belastingrechter een redelijke nieuwe nakomingstermijn moet stellen.
sub iudicevordering door de Inspecteur jegens de belastingplichtige als ‘onbevoegdelijk’ aanmerkt, zou ook de belastingrechter in een informatiebeschikking-procedure oordelen dat gebruik voor
sub iudicezaken niet is toegestaan. Dan moet de voor die bestuursrechter in de plaats tredende civiele dwangsomrechter mijns inziens desgevraagd niet slechts ter zake van afgedwongen wilsafhankelijk materiaal aan zijn bevel onder dwangsom een gebruiksrestrictie verbinden (geen punitief gebruik), maar ter zake van
alhet gevorderde materiaal nóg een gebruiksrestrictie (niet voor substantiëring van reeds onder de rechter zijnde aanslagen en boetebeschikkingen). In de praktijk zal dit overigens weinig gevolgen hebben: de bevoegdheid tot informatievordering ten processe bestaat nog steeds, maar berust nu bij de rechter. Werkt de belastingplichtige niet mee aan een juiste vaststelling van de belastingschuld, dan zal de rechter daaraan de gevolgen verbinden die hem geraden voorkomen. En, zoals gezegd: de bewijslast is denkelijk toch al omgekeerd en verzwaard wegens ontbreken van de vereiste aangifte.
sub iudicezaken gebruikte materiaal mijns inziens van het bewijs uitgesloten worden.