Conclusie
middelricht zich tegen de strafmotivering. Allereerst wordt geklaagd dat het hof in strijd met art. 359, vijfde en zesde lid, Sv niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die de opgelegde straf hebben bepaald, althans dat de strafoplegging en de motivering daarvan onvoldoende begrijpelijk is. Voorts zou het hof in strijd met art. 359, tweede lid, Sv hebben verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven die ertoe hebben geleid dat zijn beslissing afwijkt van het hieromtrent namens de verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt.
Strafmotivering
niet voldoendeheeft aangegeven waarop bij de vaststelling van de duur van de opgelegde gevangenisstraf is gelet. Uit de strafmotivering blijkt dat het hof de op te leggen straf heeft bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat de verdachte zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie, dat hij een doorgeladen wapen op de openbare weg heeft gedragen, dat de verdachte een tweede doorgeladen vuurwapen voorhanden heeft gehad en dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder het meermalen plegen van diefstal met geweld. Het hof heeft daarmee aangegeven met welke omstandigheden het rekening heeft gehouden bij de vaststelling van de duur van de (deels onvoorwaardelijk) opgelegde vrijheidsbenemende straf. In aanmerking genomen dat art. 359 Sv Pro, zesde lid, Sv, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv, voorschrijft dat het hof
zoveel mogelijkde omstandigheden aangeeft, waarop bij de vaststelling van de duur van de vrijheidsbenemende straf is gelet en dat de keuze van factoren welke voor de strafoplegging van belang zijn te achten, is voorbehouden aan de feitenrechter en in cassatie niet kan worden onderzocht of de straf voldoende is gewogen aan de hand van alle de daarvoor in aanmerking komende factoren, [8] faalt deze deelklacht.
niet-begrijpelijkis nu het hof ten nadele van de verdachte heeft meegewogen dat hij eerder geweldsdelicten heeft gepleegd. Uit het UJD kan dit echter niet (zonder meer) worden opgemaakt, aldus het middel.
“blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder het meermalen plegen van diefstal met geweld.”Uit het UJD van 23 januari 2017 blijkt dat de verdachte op 23 juli 2010 door de rechtbank Rotterdam is veroordeeld voor drie maal diefstal met geweld en een poging diefstal met geweld tot een gevangenisstraf van vijf jaren. De verdachte heeft tegen het vonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld en uit het UJD volgt dat het hof Den Haag op 11 juli 2011 in die zaak arrest heeft gewezen, [9] waarna zowel het arrest van het hof als het bestreden vonnis van de rechtbank na 14 dagen, te weten op 26 juli 2011, onherroepelijk zijn geworden. Voorts blijkt uit het UJD dat op laatstgenoemde datum de preventieve hechtenis is beëindigd en de executie van de straf is gestart, alsmede dat de verdachte in verband met die zaak in totaal drie jaren en twee maanden gedetineerd is geweest. Hoewel het UJD bepaald niet uitblinkt in helderheid als het gaat om de uitkomst van de procedure in hoger beroep, heeft het hof daar wel uit kunnen afleiden dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder het meermalen plegen van diefstal met geweld. Ik merk daarbij op dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep in de onderhavige zaak blijkt dat de voorzitter de korte inhoud van het UJD mondeling heeft medegedeeld. [10] Niet blijkt dat de verdachte of zijn raadsman aldaar hebben aangevoerd dat het UJD onjuiste informatie inzake deze feiten vermeldde. Dat zou, nu er slechts twee onherroepelijke veroordelingen voor een misdrijf op het UJD van de verdachte staan, wel in de lijn der verwachting hebben gelegen. Resumerend acht ik het dan ook niet onbegrijpelijk dat het hof bij zijn motivering heeft betrokken dat de verdachte volgens zijn UJD eerder onherroepelijk is veroordeeld voor diefstallen met geweld. Ook in zoverre kan deze deelklacht dan ook niet slagen.