Conclusie
5.De onderhavige zaak
1. Inleiding
“geheimhouder Officier van justitie en een geheimhouder medewerker van de FIOD”.
“medewerker geheimhouding van de FIOD en de geheimhoudingsofficier van justitie van het FP”,en opnieuw kenbaar gemaakt dat zij bereid waren om de RC van een inventarisatie en een nadere toelichting te voorzien. Klagers hebben ook aangegeven dat de door de RC medegedeelde procedure in ieder geval niet kon aanvangen vóórdat de raadkamer zich over het beslag had uitgelaten.
“een Officier van justitie geheimhouding en een medewerker geheimhouding van de FIOD”.Zij zouden de verzegelde stukken moeten inventariseren. Stukken die geen geheimhoudersstukken betroffen zouden vervolgens aan het onderzoeksteam worden verstrekt. Door klagers geopperde bezwaren tegen deze aanpak, aangeboden alternatieven en gedane verzoeken om de uitkomst van de raadkamerprocedure af te wachten werden door de RC van de hand gewezen.
“een geheimhouder Officier van Justitie en een of meerdere geheimhouder medewerker(s) van de FIOD”ter beschikking zijn gesteld. Zij hebben deze stukken onderzocht, beoordeeld en geïnventariseerd. De daarop betrekking hebbende lijsten, waarin de stukken worden omschreven, zijn aan de Zaaksofficieren van Justitie verstrekt.
afgeleidverschoningsrecht. Op grond daarvan gelden dezelfde uitgangspunten als bij het oorspronkelijke verschoningsrecht. Het stond hen daarom vrij om de uitlevering van geheimhoudersstukken te weigeren.
onverminderd mogelijke acties van de geheimhouder zelf.
wijzewaarop de door de RC gevolgde procedure is opgezet en gevolgd is onrechtmatig. Hetzelfde geldt voor het
momentwaarop die procedure is ingezet. De RC heeft het oordeel van Uw Raadkamer over het beslag niet eens willen afwachten, terwijl bij geheimhoudersstukken staande praktijk is dat éérst de uitkomst van de klaagschriftprocedure wordt afgewacht, en pas dáárna wordt bezien of, en zo ja hoe, de geheimhoudersstukken onderzocht kunnen worden (voor zover hun teruggave niet is gelast).
Wet verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economisch criminaliteitdoor de wetgever inmiddels als juist onderschreven en wettelijk geformaliseerd. In het nieuwe art, 98, derde lid, Sv is expliciet bepaald dat niet tot kennisneming van stukken wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beslag is beslist.
Officier van justitie De Nerée tot Babberich;
6.Enkele opmerkingen vooraf
art. 98 lid 4 Sv Pro de “persoon met bevoegdheid tot verschoning” het recht geeft om tegen de beschikking van de rechter-commissaris een klaagschrift in te dienen. De in de onderhavige zaak door de Rechter-Commissaris gegeven beschikking is gegeven vóór de inwerkingtreding van de wet, namelijk op 9 januari 2015, en reeds daarom niet aan te merken als een beschikking in de zin van art. 98 lid 4 Sv Pro waartegen alleen de verschoningsgerechtigde een klaagschrift kan indienen. Het gaat in deze zaak dan ook niet om een klaagschrift tegen een beschikking van de rechter-commissaris als bedoeld in art. 98 lid 4 Sv Pro, maar om een ‘gewoon’ beklag tegen inbeslagneming als bedoeld in art. 552a Sv. De vraag of onder een “persoon met bevoegdheid tot verschoning” in art. 98 lid 4 Sv Pro ook een persoon met een afgeleid verschoningsrecht valt, behoeft hier dus geen beantwoording.
lid 3 Sv is gedaan. [8] Er is daarbij geen bezwaar tegen om in dit verband onder een door een verschoningsgerechtigde ingediend klaagschrift mede te begrijpen een klaagschrift dat is ingediend door een persoon met een afgeleid verschoningsrecht.