Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte ongeveer 858 pillen bevattende MDMA “opzettelijk aanwezig heeft gehad”, onvoldoende heeft gemotiveerd. Volgens de steller van het middel is de nadere bewijsoverweging van het hof niet begrijpelijk, gelet op hetgeen namens de verdachte is aangevoerd ten aanzien van de scooter waarin de pillen zijn aangetroffen.
“A.1.
A.2.
A.3.
A.4.
A.5.
A.6.
A.7.
A.8.
NJ1980/342) het volgende aangevoerd. De XTC-pillen zijn aangetroffen in een scooter in de garage van de woning van de moeder van de verdachte, waar ook de twee broers van de verdachte woonden. De verdachte zelf was daar niet woonachtig. Bij een scooter worden vaak meerdere sleutels geleverd, terwijl de raadsman uit het feit dat in het dossier de ene keer “sleutel” en de andere keer “sleutels” staat vermeld afleidt dat er meerdere sleutels in omloop waren. Naast de verdachte kunnen nog drie personen (zijn moeder en zijn twee broers) de beschikking hebben gehad over de scooter. Die drie andere personen hebben zich niet onbetuigd gelaten als het gaat om verdovende middelen, terwijl de verdachte heeft verklaard dat ook anderen gebruik maakten van de scooter, aldus de raadsman. Voorts heeft de raadsman in reactie op een vraag van de voorzitter van het hof geantwoord dat ook hij in het dossier niet heeft gelezen dat een familielid van de verdachte heeft verklaard dat de gevonden pillen van hem of haar zijn of dat hij of zij daarmee enige bemoeienis heeft gehad.
tweede middelbevat de klacht dat het hof de strafoplegging onvoldoende heeft gemotiveerd, aangezien het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die tot de keuze van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf hebben geleid en de opgelegde straf verbazing wekt gelet op de door de politierechter opgelegde straf.