Conclusie
Mr. H.H.J. Knol, eveneens Advocaat-Generaal bij het Hof, heeft bij schriftuur van 2 december 2014 een middel van cassatie voorgesteld.
middelbehelst de klacht dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat art. 68 Sr Pro in de weg staat aan de strafrechtelijke vervolging van de verdachte ter zake van art. 8 WVW1994 nadat aan hem de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma (ASP) was opgelegd. Voorts heeft volgens de steller van het middel het Hof ten onrechte de oplegging van de alcoholslotmaatregel als een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 EVRM Pro aangemerkt.
4.De bestreden uitspraak
(…) Met betrekking tot mijn persoonlijke omstandigheden kan ik het volgende verklaren. Ik ben niet in staat om de kosten van deelname aan het alcoholslotprogramma te betalen.
Ik heb ongeveer € 60.000,- tot € 80.000,- aan schulden. Sinds maart 2014 leef ik van de bijstand. (…) Ik kan dit hoe dan ook niet betalen.”
Werkingssfeer
1. De bepalingen van dit handvest zijn gericht tot de instellingen en organen van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en tot de lidstaten, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Derhalve eerbiedigen zij de rechten, leven zij de beginselen na en bevorderen zij de toepassing ervan, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden.”
Het verweer wordt derhalve verworpen."
Engelen
Öztürk. In die beide uitspraken, die door vele andere(n) in dezelfde lijn zijn gevolgd, heeft het EHRM de omlijning gegeven van de door het Straatsburgse Hof gehanteerde uitleg van het in art. 6 EVRM Pro centrale begrip “determination of a criminal charge”. Kort gezegd heeft het EHRM in die uitspraken daaromtrent bepaald dat niet slechts door de nationale kwalificatie vastgesteld dient te worden of sprake is van een ‘criminal charge’, maar dat dit aan de hand van zelfstandige of autonome criteria moet geschieden (Engel). Blijkt bij toepassing van dergelijke criteria dat bij het door de overheid afdoen van bepaalde feiten langs administratieve weg in wezen sprake is van de “determination of a criminal charge” dan is dat op zich geoorloofd, mits voldaan is aan de basisvereisten van art. 6 EVRM Pro, waaronder (ten minste) de mogelijkheid van een beroep op de onafhankelijke rechter (Öztürk). Het lijkt er dus op dat de Hoge Raad ten aanzien van art. 68 Sr Pro thans een materiële invulling geeft aan het vervolgingsbegrip, wat tamelijk verstrekkende gevolgen heeft voor de reikwijdte van art. 68 Sr Pro. Niet zonder reden wordt in de laatste druk van Corstens/Borgers, het Nederlands strafprocesrecht geconcludeerd dat het erop lijkt dat de Hoge Raad zijn eerdere, beperkende uitleg in dit verband lijkt te hebben verlaten. [37]
1. Het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan het alcoholslotprogramma indien:
a. bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 570 µg/l, respectievelijk 1,3‰, maar lager is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰;
b. bij betrokkene, in de hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰, maar lager is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰;
c. betrokkene heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet;
(…)”