Conclusie
moord” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaar met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van benadeelde partijen, een en ander zoals vermeld in het bestreden arrest.
“Voorbedachte raad
Alternatief scenario
Op te leggen sanctie
eerste middelbevat de klacht dat het hof het verzoek tot het horen van de humanistisch geestelijk verzorger van de penitentiaire inrichting als getuige ten onrechte, althans onvoldoende met redenen omkleed, heeft afgewezen.
Waarom is het noodzakelijk om getuigen te horen die van uw cliënt hebben gehoord dat het waarschijnlijk anders zit?”De oudste raadsheer merkt daarbij op dat
“bij het noodzaakscriterium dat ten aanzien van uw verzoeken dient te worden aangelegd, het gaat om een afweging met het oog op de volledigheid van het onderzoek”. Daarnaast heeft de oudste raadsheer nogmaals opgemerkt “
Voor wat betreft het noodzaakscriterium bij de beoordeling van uw verzoeken is voor het hof de vraag: wat kunnen deze getuigen toevoegen aan hetgeen waar het hof reeds kennis van kan nemen in de strafzaak van uw cliënt? Dus is het horen van de getuigen noodzakelijk voor de beantwoording van (een van) de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering of is het hof al voldoende voorgelicht?”
en andere personen” zou hebben gezegd de moord niet te hebben gepleegd, heeft het hof bovendien onvoldoende consistent en plausibel geacht om het gepresenteerde alternatieve scenario te doen ondersteunen. Daarin ligt als oordeel van het hof besloten dat hij het horen van de getuige niet noodzakelijk heeft geacht voor zijn te nemen beslissingen. [4] Het hof heeft immers wel willen aannemen dat de verdachte niet alleen tegen zijn moeder maar ook tegen de humanistisch verzorger van de penitentiaire inrichting heeft verklaard dat hij het delict niet heeft begaan, maar heeft die mededeling van de verdachte aan de humanistisch verzorger onvoldoende geacht om het (zeer onwaarschijnlijke) alternatieve scenario meer waarschijnlijk te maken. Dat (kennelijke) oordeel acht ik niet onbegrijpelijk.
tweede middelklaagt over de bewezenverklaring van voorbedachte raad. In de toelichting betogen de stellers van het middel allereerst dat het oordeel van het hof dat sprake is van voorbedachte raad getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft immers overwogen dat het redelijk is om aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad om het slachtoffer van het leven te beroven en zich daarvan rekenschap heeft gegeven, terwijl had moeten komen vast te staan dat de verdachte heeft gehandeld ‘na kalm beraad en rustig overleg’, aldus de stellers van het middel. Daarnaast is de bewezenverklaring van voorbedachte raad onbegrijpelijk in het licht van de door de verdediging aangevoerde contra-indicaties die er juist op wijzen dat er geen sprake is van voorbedachte raad.
NJ2012/518 m.nt. Keulen, HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963,
NJ2014/156 m.nt. Keulen, en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1411,
NJ2016/462 m.nt. Wolswijk.
derde middelklaagt over het oordeel van het hof dat de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep geen aanleiding geeft tot strafvermindering. Het middel valt uiteen in twee deelklachten.