Conclusie
1.Procesverloop
De rechtbank is voorts van oordeel dat de deskundigen er terecht vanuit zijn gegaan dat een redelijk handelend agrariër het overblijvende zou verkopen en zou investeren in nieuwe grond. Het is niet logisch dat een agrariër een perceel als het zuidelijk overblijvende, gelegen op bijna 60 km van zijn huisperceel, aanhoudt voor zijn bedrijfsvoering.”
Uit de declaratie van [betrokkene 1] blijkt onder meer dat door hem werkzaamheden zijn verricht, die geacht worden normaal gesproken door mr. Linssen te worden uitgevoerd. Voorbeelden daarvan zijn het bestuderen van de rapportage van de Staat en het schrijven van een reactie op het concept deskundigenrapport (54 uur), bespreking inhoud pleidooi descente en toelichting jurisprudentie (6 uur), bestudering arresten Hoge Raad (2 uur), opstellen bouwstenen voor pleidooi (8 uur), bespreking voorbereiding pleidooi en taakverdeling (6 uur), bespreking met mr. Sluijsmans en verwerken advies (8 uur).
Ook een aantal van 82,5 uur aan besprekingen (inclusief gespreksvoorbereiding en evaluatie) met mr. Linssen en/of [verzoeker] komt de rechtbank onredelijk hoog voor, gelet op de ingewikkeldheid van de zaak. Hetzelfde geldt voor het aantal van 63 uur dat in rekening is gebracht in verband met het vraagstuk “delfstoffenwinning”. Daarnaast heeft [betrokkene 1] vanaf januari 2013 zeventien keer een locatiebezoek à 4 uur per bezoek in rekening gebracht, in totaal 76,5 uur. De rechtbank acht dit aantal bezoeken en de daarmee gepaard gaande gedeclareerde uren buitenproportioneel hoog.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vergoeding voor [betrokkene 1] ex aequo et bono vaststellen op een bedrag van € 10.000,-- (incl. btw).”
3.Bespreking van de middelen in het principaal cassatieberoep
1 tot en met 5van het middel lees ik geen (concrete) klachten. Wel meen ik dat het in nr. 2 geformuleerde uitgangspunt juist is in zoverre dat de rechtbank (in het voetspoor van de deskundigen) de beleidsplannen en -visies die dateren van na het moment waarop de aanleg van de A4 ten westen van Steenbergen vorm kreeg elimineert, en aldus uitgaat van een verwachtingswaarde die gebaseerd is op de verwachting in 2001/2002 dat de uitbreiding van het bedrijventerrein Reinierpolder in westelijke en zuidwestelijke richting zou hebben plaatsgevonden en niet in de richting van het perceel van [verzoeker] (waarmee de verwachtingswaarde uitkomt op nihil). Het komt erop neer dat de rechtbank alle in de tweede volzin van rov. 2.23 vermelde ruimtelijke (beleids)documen-ten elimineert. [26]
ten oostenvan de stad Steenbergen zou worden aangelegd, maar is dat tracébesluit door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 22 januari 2001 in zoverre vernietigd. Het tracébesluit van 18 februari 2011 ter uitvoering waarvan is onteigend, voorziet in de aanleg van het middelste deel van de A4
ten westen(en ten noorden) van Steenbergen. Uitzicht op een toekomstige ontwikkeling van de agrarische gronden in de omgeving van het onteigende, bestond (naar ik begrijp) niet zolang de verwachting bestond dat de A4 ten oosten van Steenbergen zou komen te liggen, en is kennelijk pas ontstaan tegelijk met het idee om de A4 ten westen van Steenbergen te projecteren.
plannen voor het werk waarvoor onteigend is. Dat werk is immers de aanleg van de A4 ter plaatse, en niet de uitbreiding van het bedrijventerrein Reinierpolder in de richting van het onteigende. En weliswaar omvat de eliminatie, volgens art. 40c onder 2° Ow, mede de (plannen voor de) ‘overheidswerken die in verband staan met het werk waarvoor onteigend wordt’, maar uit het vonnis van de rechtbank valt geenszins af te leiden dat de rechtbank de in de betreffende ruimtelijke beleidsdocumenten ontvouwde visie met betrekking tot een potentiële uitbreiding van het bedrijventerrein Reinierpolder in de richting van het onteigende aanmerkte als
plannen voor overheidswerken die in verband staan(in de in art. 40c onder 2° Ow bedoelde zin) met de aanleg van de A4. Uit hun rapport kan ik ook niet opmaken dat de deskundigen onderzocht hebben in hoeverre dat het geval is.
werk, en dan nog wel een
overheidswerk, kan worden aangemerkt.
voor eliminering in aanmerking komende plan voor het werkwaarvoor onteigend is.
voorstadiumvan het plan voor het werk voor eliminatie in aanmerking komt, ook al is het onvoldoende concreet om een bestemmingsplanbestemming in de liquidatie mee te sleuren, en dat de plannen die gemaakt zijn na het startpunt van de ontwikkeling die uitmondt in het concrete plan voor het werk, voor eliminatie vatbaar zijn. Annotator J.F. de Groot lijkt hiermee niet gelukkig, en bij nader inzien denk ik dat het elimineren van de voorstadia van het uiteindelijke concrete plan voor het werk niet zo’n goed idee is. Ik denk nu dat men het probleem langs de volgende lijn zou kunnen aanpakken.
Met het “plan voor het werk” waarvan in art. 40c sub 3 sprake is, wordt gedoeld op het besluit van de onteigenaar om het werk (zelf) uit te voeren.
onderdeel 7(beroep op Hof ’s‑Gravenhage 24 juni 2014)
en onderdeel 8(beroep op de boven de agrarische waarde uitstijgende taxatie van het overblijvende door de deskundigen) van middel 1 geen bespreking behoeven.
welmoeten worden geëlimineerd, maar bij de waardering van het overblijvende
niet. De rechtbank heeft vervolgens niet de in de rechtspraak van Uw Raad bedoelde berekening gemaakt waarbij de waarde van het geheel vóór onteigening wordt verminderd met de vergoede werkelijke waarde en de waarde van de losse overblijvende perceelsgedeelten, maar (in het voetspoor van de deskundigen) geredeneerd dat de waardevermindering van het noordelijke overblijvende perceelsgedeelte als gevolg van verslechtering van vorm, omvang en ligging en de daardoor veroorzaakte bemoeilijking van de agrarische exploitatie niet opweegt tegen de waardevermeerdering van het zuidelijke overblijvende perceelsgedeelte, dat weliswaar ook verslechterd is van vorm, omvang en ligging, maar aanzienlijk in waarde is gestegen nu dat gedeelte ten gevolge van de onteigening in aanmerking komt voor uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein Reinierpolder I, waardoor de waarde van de grond zal stijgen.
Onderdeel 10stelt dat [verzoeker] zich steeds op het standpunt heeft gesteld dat, de onteigening weggedacht, het onteigende perceel en het overblijvende reeds voor onteigening de door de rechtbank aangenomen waarde hadden. Volgens het onderdeel hebben de deskundigen in zoverre ten onrechte aangenomen dat er een waardevermeerdering is. Het onderdeel klaagt dat de rechtbank op de stelling (het verweer) van [verzoeker] niet gemotiveerd heeft gereageerd en dat het oordeel zodoende onvoldoende begrijpelijk is.
naonteigening een verwachtingswaarde toe die de betreffende grond (volgens [verzoeker])
voorde onteigening al had, zodat, in de visie van [verzoeker], de onteigening de waarde van het zuidelijke overblijvende gedeelte van het perceel niet heeft doen toenemen. In wezen is dat ook waarover het tweede middel onder nr. 10 klaagt. Reeds daarom meen ik dat het tweede middel zal moeten slagen indien het eerste middel slaagt, dan wel dat het tweede middel geen behandeling behoeft omdat de gegrondheid van (onderdeel 6 van) het eerste middel meebrengt dat hoe dan ook opnieuw (met inachtneming van een juiste toepassing van de eliminatieleer) moet worden onderzocht of een vergoeding behoort te worden toegekend wegens waardevermindering van het overblijvende.
marktwaardevan die bestanddelen nihil blijkt te zijn. De in cassatie relevante vraag die het onderdeel aan de orde had kunnen stellen is of de rechtbank een voldoende begrijpelijke uitleg heeft gegeven aan de in de klacht aangewezen passages in de gedingstukken door daarin geen (serieus te nemen) betwisting te lezen van het standpunt van de deskundigen dat de bij de aanleg van het werk vrijkomende bodembestanddelen geen marktwaarde hebben of hadden. Voor het geval dat Uw Raad een dergelijke klacht in onderdeel 16 zal lezen wijs ik op het volgende.
concept-deskundigenrapport bij brief d.d. 22 juli 2013 van mr. Th.J.H.M. Linssen aan de deskundigen. [43] In dat concept-rapport gingen de deskundigen nog uit van een marktwaarde van het uit het onteigende te winnen zand van € 59.160, zie onderaan blz. 15 van het deskundigenrapport. In het genoemde nr. 28 van de reactie van mr. Linssen kan naar mijn mening geen standpunt worden gelezen met betrekking tot de marktwaarde van de bodembestanddelen, laat staan een weerspreking van de pas later (in hun definitieve rapport) door de deskundigen gehuldigde visie dat de vrijkomende bodembestanddelen geen marktwaarde hebben. In nr. 29 van de brief wordt, onder verwijzing naar producties, betoogd dat klei t.b.v. de aanleg van dijken een marktwaarde heeft van € 9,50 per ton ofwel € 17,57 per m³ en dat menggranulaat [44] ten behoeve van de voorbelasting een commerciële marktwaarde heeft van € 8,50 per ton ofwel € 18,70 per m³. Ook hierin valt geen standpunt te lezen met betrekking tot de marktwaarde van de
in het onteigende vrijkomendebodembestanddelen. In nr. 29 van de brief is vervolgens verwezen naar een berekening van de aan [verzoeker] toekomende vergoeding van bodembestanddelen van in ieder geval € 223.985.04. Die berekening begroot, evident, niet de
totale marktwaarde van de vrijkomende bodembestanddelen, maar de
totale besparingdie de Staat volgens [verzoeker] zou kunnen realiseren door het gebruik van die bodembestanddelen bij de aanleg van het werk.
Onderdeel 18borduurt voort op de, gezien het voorgaande irrelevante, twistpunt of de Staat voordeel heeft gehad van het gebruik van de vrijkomende bodembestanddelen, een punt waarover de rechtbank geen oordeel heeft gegeven en, gezien de door haar aangelegde maatstaf, ook niet behoefde te geven. Het onderdeel kan naar mijn mening dan ook niet tot cassatie leiden.
4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:831, NJ 2014/368 met noot T. Hartlief (Reaal Schadeverzekeringen/gemeente Deventer). In dit arrest staan in ieder geval de in onderdeel 19 geciteerde rov. 3.6.2 en 3.6.3.
onderdeel 25, het laatste onderdeel van dit middel, waarin [verzoeker] geen klacht aanvoert, maar opmerkt dat het belang bij een beoordeling van het middel ontvalt bij het niet slagen van het tweede middel omtrent de door de rechtbank aangenomen waardevermeerdering van het overblijvende omdat, als die waardevermeerdering in stand blijft en als compensatie mag worden gebruikt ter leniging van de geleden nadelen, een verlaging van de post rente vrijkomend kapitaal niet zal lijden tot een extra schadeloosstelling voor [verzoeker]. Of deze redenering hout snijdt laat ik in het midden. Aangezien ik meen dat het tweede middel slaagt, zal ik ook het vierde middel inhoudelijk bespreken.
agrariërin de positie van [verzoeker] na de onteigening met de overblijvende perceelsgedeelten zou doen. [verzoeker] heeft nadat de deskundigen daarvan met zoveel woorden in het definitieve rapport (blz. 20) melding hadden gemaakt, bij de slotpleidooien, gesteld dat hij naast zijn landbouwbedrijf een transportbedrijf, een containerbedrijf, een uitgebreid grondverzetbedrijf en een handel in zand, grond, grind en restafvalstoffen exploiteert.
Onderdeel 26klaagt dat de rechtbank met haar oordeel geen recht doet aan het werk dat de deskundige heeft verricht. Ter toelichting wijst het onderdeel erop dat de deskundige als gevolg van de weigering van de Staat om openheid van zaken te geven over het aanwenden van de uit de bodem komende bestanddelen veel werk heeft moeten verrichten om de feiten dienaangaande goed vast te leggen, opdat verweer tegen de stellingen van de Staat kon worden gevoerd. Daargelaten dat de rechtbank die bewijzen heeft gepasseerd blijft volgens het onderdeel staan dat het uitvoeren van deze werkzaamheden als zodanig redelijk is geweest, zowel naar aard als hoogte (63 uur + 76,5 uur). Volgens het onderdeel brengt deze urenbesteding al met zich dat tot een bedrag (ver) boven een bedrag van € 10.000 (incl. btw) aan uren is gemaakt. Het onderdeel wijst erop dat daarnaast nog uren zijn gemaakt voor het opstellen van de taxatie, het voeren van besprekingen en het aanwezig zijn bij descente en pleidooien. Het onderdeel klaagt dat het oordeel van de rechtbank dat zij tot slechts een zevende van het totaal aan in rekening gebrachte uren vergoedt, in dit licht bezien onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd.