Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het middel
onderdelen 1 t/m 3 en 5zijn gericht tegen de hiervoor geciteerde rov. 3.1 van het tussenarrest van 16 september 2014 en 2.1 van het eindarrest. De klachten komen erop neer dat het hof een onjuiste, althans − voor het geval geen sprake is van recht in de zin van art. 79 RO Pro − onbegrijpelijke, uitleg heeft gegeven aan de WCAM-overeenkomst (onderdeel 5). Uit art 2.2 sub f van de WCAM-overeenkomst blijkt dat zij niet ziet op een effectenleaseovereenkomst die onderwerp is van een minnelijke regeling tussen Dexia en de Contractant, waaronder het Dexia Aanbod (onderdeel 1). Daaraan doet niet af dat onzekerheid is blijven bestaan over de rechtsgeldigheid van de effectenleasecontracten, welke onzekerheid vatbaar was voor beëindiging door de WCAM-overeenkomst (onderdeel 2). Uit de art. 2.3 en 2.4 van de WCAM-overeenkomst kan worden begrepen dat indien een Contractant gerechtigde is, zijn partner tevens gerechtigde is, althans kan zijn. Daaruit kan echter niet, althans niet zonder meer, volgen dat indien een contractant volgens de WCAM-overeenkomst geen gerechtigde is, zijn partner dat in tegendeel juist wél is (onderdeel 3).
onderdeel6 was het Hof niet gerechtigd de kwestie van de vermeende gebondenheid aan de Duisenbergregeling ambtshalve aan de orde te stellen, terwijl Dexia zich daarop niet ten processe had beroepen en het hier geen punt van openbare orde betrof. Aldus overwegende en beslissende heeft het Hof ambtshalve de feitelijke grondslag van het verweer van Dexia aangevuld en dusdoende zijn taak als appelrechter miskend.
onderdelen 1 t/m 3 en 5geven mij geen aanleiding tot een andere beoordeling en dienen daarom naar mijn mening te falen.
Onderdeel 4, voor zover het al een klacht bevat, behoeft geen afzonderlijke bespreking.
nr. 6klaagt het middel dat het Hof niet gerechtigd was de kwestie van de vermeende gebondenheid aan de WCAM-Duisenbergregeling ambtshalve aan de orde te stellen, terwijl Dexia zich daarop niet ten processe had beroepen en het hier geen punt van openbare orde betrof. Aldus overwegende en beslissende heeft het Hof ambtshalve de feitelijke grondslag van het verweer van Dexia aangevuld en dusdoende zijn taak als appelrechter miskend.
onderdeel 6.