Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het Hof heeft verzuimd een beslissing te nemen op een aantal door de verdediging gedane voorwaardelijke verzoeken. In de toelichting op het middel wordt het volgende naar voren gebracht. Het Hof miskent dat volgens bestendige rechtspraak van de Hoge Raad op voorwaardelijk gedane verzoeken als de onderhavige ingevolge art. 330 Sv Pro (in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv) een uitdrukkelijke beslissing moet worden genomen, op straffe van nietigheid. Het fenomeen van het doen van voorwaardelijke verzoeken is niet strijdig met enige wettelijke bepaling of met het systeem van het Wetboek van Strafvordering. Artikel 271, tweede lid, Sv - dat rechters verbiedt op de terechtzitting blijk te geven van enige overtuiging omtrent schuld of onschuld van de verdachte - is een instructienorm waarvan met instemming van de verdachte moet kunnen worden afgeweken. Omdat het doen van een voorwaardelijk verzoek impliceert dat de rechter een (voorlopig) oordeel moet geven en wellicht moet vooruitlopen op een eindbeslissing, is deze toestemming met het verzoek gegeven en is van schending van enig verdedigingsbelang geen sprake. Om redenen van proces-economie is het wenselijk dat bijvoorbeeld een ontlastende getuige niet hoeft te worden gehoord indien de rechter toch al van oordeel is dat vrijspraak moet volgen.
“Vrijspraak
Indien uw hof zou menen dat de verklaring van cliënt op dit punt ongeloofwaardig is, verzoek ik uw hof langs deze weg nogmaals [betrokkene 1] te mogen horen(cursivering, EH) zodat de verdediging hem zelf kritische vragen kan stellen ten aanzien van hetgeen door hem - nota bene telefonisch - is verklaard en te confronteren met de stellingen van cliënt.
Indien uw hof zou menen dat dit wel voldoende is gebleken (cursivering, EH), verzoek ik uw hof langs deze weg nogmaals om het ertoe te leiden dat de fles olijfolie en de scharen door een deskundige worden onderzocht op de aanwezigheid van de strafbaar gestelde werkzame stof THC in de vermeende hennep(cursivering, EH).
Periode/planten
Mocht uw hof menen dat u wel tot een bewezenverklaring kunt komen voor de gehele periode en de 566 planten, dan verzoek ik uw hof langs deze weg nogmaals om de verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] en de onbekend gebleven wijkagent als getuigen te mogen ondervragen(cursivering, EH) nu ik meen dat hetgeen zij zouden hebben waargenomen niet juist kan zijn. Cliënt stelt dat hij de loods pas heeft onderverhuurd in mei 2011 en dat om die reden alleen al nooit een hennepplantage kan zijn gezien in maart 2011. Ik meen dat de verbalisanten met deze verklaring geconfronteerd dienen te worden alsmede met andere vragen aangaande hun onwaarschijnlijke waarnemingen.”
Overwegingen ten aanzien van voorwaardelijke verzoeken ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde
tweede middelklaagt over ’s Hofs afwijzing van het op de terechtzitting van 8 april 2014 gedane verzoek van de raadsvrouw om [betrokkene 1] als getuige te horen. In de toelichting op het middel wordt daartoe het volgende aangevoerd. Het herhalen van dit verzoek ter terechtzitting van het – anders samengestelde – Hof op 5 september 2014 moet worden aangemerkt als een uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoek deze getuige alsnog te horen (vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441). Het moet er voor worden gehouden dat het Hof de op 22 april 2014 hieromtrent gegeven beslissing en de motivering daarvan ter terechtzitting van 5 september 2014 heeft gehandhaafd. Daarmee heeft het Hof het verzoek ten onrechte afgewezen en is de motivering daarvan onbegrijpelijk, althans ontoereikend, niet alleen omdat wel gelijk voldoende concreet is aangegeven waarom deze getuige moet worden gehoord maar vooral in aanmerking genomen dat het Hof blijkens de gebezigde bewijsoverwegingen onderverhuur van de kweekruimte aan deze getuige niet aannemelijk en mitsdien relevant voor de bewijsvoering heeft geacht. Bij deze stand van zaken heeft de verdediging wel degelijk belang bij het ondervragen van deze getuige.
Bespreking van bewijsverweren ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde